ECLI:NL:RBUTR:2007:BC0034
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op afvloeiingsregeling statutair directeur wegens onaanvaardbaarheid
De zaak betreft een geschil tussen een statutair directeur en zijn werkgever, Zuideroord N.V., over het recht op een afvloeiingsregeling na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De directeur werd op staande voet ontslagen wegens het opzetten van een concurrerend bedrijf samen met drie collega’s, terwijl hij nog in dienst was. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst vorderde hij een schadevergoeding op grond van de afvloeiingsregeling.
De rechtbank oordeelde dat de afvloeiingsregeling niet afhankelijk is van het bestaan van een arbeidsovereenkomst met Zuideroord, maar ook geldt bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met SHF, een gelieerde vennootschap. Desondanks verwierp de rechtbank het beroep op de regeling omdat de directeur en zijn collega’s doelbewust een concurrerend bedrijf oprichtten en vertrouwensbreuk veroorzaakten, wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De rechtbank benadrukte de extra verantwoordelijkheden van een statutair directeur en het feit dat de directeur zijn belangen boven die van de onderneming stelde. De vordering tot schadevergoeding werd afgewezen en de directeur werd veroordeeld in de proceskosten van Zuideroord.
Uitkomst: Het beroep op de afvloeiingsregeling wordt afgewezen omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.