ECLI:NL:RBUTR:2007:BG6979
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering voortzetting huurovereenkomst en medehuurderschap na overlijden huurder
Eisers vorderen dat zij de huurovereenkomst van hun overleden vader met betrekking tot een woning voortzetten of dat zij als medehuurders worden erkend. De woning vereist een huisvestingsvergunning, die eisers niet bezitten. De primaire vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen omdat de wet vereist dat een huisvestingsvergunning wordt overlegd.
Daarnaast wordt de subsidiaire vordering tot erkenning als medehuurder afgewezen omdat niet is voldaan aan de procedurele vereisten van een gezamenlijk verzoek zoals voorgeschreven in artikel 7:267 BW Pro. De kantonrechter benadrukt het gesloten stelsel van medehuurderschap en de restrictieve toepassing daarvan.
De meer subsidiaire vordering, gebaseerd op een hardheidsclausule in het gemeentelijk toewijzingsbeleid, wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat dit beleid bestuursrechtelijke aspecten betreft en geen civielrechtelijke afdwingbaarheid geeft. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen tot voortzetting van de huurovereenkomst en erkenning als medehuurder worden afgewezen wegens het ontbreken van een huisvestingsvergunning en niet-naleving van wettelijke vereisten.