ECLI:NL:RBUTR:2008:BD0105
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens ontbreken feitelijke grondslag voor onrechtmatige daad en tekortkoming bestuurder
De vennootschap [gedaagde sub 5] exploiteerde een audicienwinkel en had een aanzienlijke schuld bij eiseres [eiser] vanwege leverancierskrediet. Er was een vaststellingsovereenkomst gesloten die verplichtingen voor de bestuurders bevatte. In april 2006 werd de winkel van [gedaagde sub 5] gesloten en de onderneming werd feitelijk voortgezet door HGE, een nieuw opgerichte vennootschap waarin een van de bestuurders werkzaam was.
[eiser] stelde dat deze handelingen waren gericht op het frustreren van haar verhaal op de failliete vennootschap en dat sprake was van onrechtmatig handelen en tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Zij vorderde onder meer schadevergoeding en stelde dat sprake was van ongerechtvaardigde verrijking.
De rechtbank oordeelde dat de stellingen van [eiser] onvoldoende feitelijk waren onderbouwd. De sluiting van de winkel was zakelijk verantwoord vanwege de financiële situatie, en er was geen bewijs voor een opzet tot benadeling. Voorts was geen sprake van voortzetting of overdracht van de onderneming aan HGE in juridische zin. Ook de vorderingen op grond van onrechtmatige verrijking faalden wegens gebrek aan concrete feiten.
De vaststellingsovereenkomst was feitelijk een dode letter geworden na het uitblijven van de aandelenemissie en de gewijzigde omstandigheden. De vorderingen werden daarom afgewezen en [eiser] werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vorderingen van eiseres worden afgewezen wegens ontbreken feitelijke grondslag en onvoldoende onderbouwing.