ECLI:NL:RBUTR:2008:BD3509

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
28 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/710321-08
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 onder B OpiumwetArt. 10 lid 4 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel

De rechtbank Utrecht behandelde op 28 mei 2008 een zaak waarin de veroordeelde werd veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van de Opiumwet en het voorbereiden van een strafbaar feit. De veroordeelde had bekend dat hij speed had verhandeld, waarbij hij eerst negen maanden voor een ander werkte en daarna drie maanden samen met een medeverdachte voor zichzelf.

Op basis van verklaringen van de veroordeelde en politieonderzoek stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast. De berekening hield rekening met de verkoopprijzen, hoeveelheden en de periode van handelen, waarbij het voordeel werd vastgesteld op €1.519. De rechtbank deelde het voordeel uit de laatste drie maanden door twee vanwege de samenwerking met een medeverdachte.

De rechtbank legde de veroordeelde de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Er werden geen kosten in mindering gebracht. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen. Het vonnis werd gewezen door drie rechters, waarbij één rechter niet kon ondertekenen.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht €1.519 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummer: 16/710321-08 (ontneming)
Datum uitspraak: 28 mei 2008
Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboortedatum],
wonende te [woonplaats],
thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein.
Raadsvrouwe: mr. M.S.F. Ilahibaks-Gulzar.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 mei 2008.
1. De vordering
De vordering van de officier van justitie d.d. 17 april 2008 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4, Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 2.765,00.
2. Grondslag van de vordering
Bij vonnis van deze rechtbank van 28 mei 2008 is de veroordeelde in zijn strafzaak veroordeeld ter zake van - voor zover in dit verband van belang - de navolgende strafbare feiten:
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
gepleegd in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 januari 2008;
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
Een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10, voorbereiden, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
gepleegd op 30 januari 2008.
3. Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde door middel van of uit baten van de hiervoor in rubriek 2 genoemde strafbare feiten voordeel verkregen dat de rechtbank schat op een bedrag van € 1.519,00.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
(De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de - navolgende - motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van de in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal nr. PL0960/08-001776, PL0960/08-001776A en PL0960/08-001776B.)
In het voormelde bedrag is meegenomen dat veroordeelde heeft bekend dat hij in – voor zover hier van belang – speed heeft gehandeld en ook dat hij heeft aangegeven welke geldelijke opbrengst hij hiervan heeft gehad. Op 31 januari 2008 heeft veroordeelde bij de politie verklaard dat hij negen maanden voor iemand anders heeft gedeald en dat hij daarvoor drie euro per gram kreeg. De andere man kreeg zeven euro. De laatste drie maanden is veroordeelde voor zichzelf begonnen samen met [medeverdachte 1]. Veroordeelde heeft driemaal een ons speed gekocht voor 200 euro per ons. Per verkochte gram speed kreeg hij toen tien euro betaald. Het geld dat veroordeelde verdiende bracht hij naar [medeverdachte 1]. Van de laatste ingekochte partij is niets verkocht, omdat deze in beslag is genomen. Op basis van deze verklaring heeft de politie een berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel gemaakt. De rechtbank volgt deze berekening, met dien verstande dat zij uitgaat van een opbrengst voor verdachte van 3 euro per gram. Ter terechtzitting heeft veroordeelde nogmaals verklaard dat de drie maanden waarin hij voor zichzelf heeft gehandeld hij dit samen deed met [medeverdachte 1]. De rechtbank vindt hierin aanleiding de opbrengst uit deze periode door twee te delen.
Dit leidt tot de volgende berekening:
(9 eerste maanden)
7 gram per week x € 3,00 x 39 weken = € 819,00
(3 laatste maanden)
200 gram x € 10,00 verkocht = € 2.000,00.
300 gram x € 200,00 ingekocht = - 600,00 –
€ 1.400,00 : 2 = € 700,00
€ 1.519,00
4. De verplichting tot betaling
De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van voormeld bedrag van € 1.519,00 kan aan de veroordeelde worden opgelegd.
Van kosten die op dit bedrag in mindering zouden moeten worden gebracht is de rechtbank op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken.
5. De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6. DE BESLISSING
De rechtbank:
stelt het bedrag van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 1.519,00 (eenduizendvijfhonderdennegentien euro).
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.519,00 (eenduizendvijfhonderdennegentien euro).
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. M.P. Gerrits-Janssens, W. Foppen en D.J.A. Kuipers, bijgestaan door mr. J.A. van Wageningen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 mei 2008.
Mr. Kuipers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.