ECLI:NL:RBUTR:2008:BD7366
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Kennelijk onredelijk ontslag wegens arbeidsongeschiktheid en onvoldoende re-integratie
Eiser trad in december 2000 in dienst als restyler/plaatwerker en werd vanaf mei 2002 gedeeltelijk arbeidsongeschikt, oplopend tot volledige arbeidsongeschiktheid in juni 2005. Ondanks diverse evaluaties en een operatie in maart 2006 bleef eiser arbeidsongeschikt. De werkgever vroeg in augustus 2007 ontslagvergunning aan, die werd verleend, en sprak de arbeidsovereenkomst op met een onjuiste opzegtermijn, waarvoor een schadevergoeding werd betaald.
Eiser stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege het causale verband tussen zijn werkzaamheden en de arbeidsongeschiktheid, mede omdat een verkeerde werkhouding de klachten zou hebben veroorzaakt. De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende was aangetoond dat de werkgever tekort was geschoten in zorgplicht of dat de arbeidsongeschiktheid door de werkgever was veroorzaakt. Wel was onvoldoende gebleken dat de werkgever tijdig en adequaat re-integratie-inspanningen had verricht, zoals het inschakelen van een re-integratiebureau.
De kantonrechter concludeerde dat het belang van eiser om niet ontslagen te worden zwaarder woog dan dat van de werkgever en kende een schadevergoeding toe van € 28.950,- bruto, met wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het ontslag wordt kennelijk onredelijk verklaard en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 28.950,- bruto met rente en kosten.