ECLI:NL:RBUTR:2008:BD7658
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over geldlening en bewijslast bij vermeende onrechtmatige geldopname
De zaak betreft een civiel geschil tussen eiseres en gedaagde over een vermeende geldlening van 29.000 euro en de vraag of gedaagde zonder toestemming geld van de bankrekeningen van eiseres heeft overgeschreven en gepind. Eiseres stelt dat zij nooit een lening heeft afgesloten en dat overschrijvingen en pintransacties zonder haar toestemming zijn verricht. Gedaagde betwist dit en stelt dat hij het geld aan eiseres heeft uitgeleend en dat zij de overschrijvingskaarten zelf heeft ingevuld en ondertekend.
Er is uitgebreid bewijs verzameld, waaronder verklaringen van partijen en getuigen, forensisch onderzoek naar handschriften door het NFI en een privé-expert, en documenten zoals een schuldbekentenis. De handtekeningen op de overschrijvingskaarten zijn betwist en het NFI concludeerde dat de invullingen hoogstwaarschijnlijk niet door eiseres of gedaagde zijn geschreven. De rechtbank oordeelt dat de schuldbekentenis geen dwingend bewijs oplevert vanwege betwisting van de handtekening.
De rechtbank wijst partijen aan wie de bewijslast rust: eiseres moet bewijzen dat gedaagde zonder toestemming geld heeft overgeschreven en gepind, terwijl gedaagde moet bewijzen dat hij daadwerkelijk een lening heeft verstrekt. Verder zijn er procesafspraken gemaakt over getuigenverhoren en bewijsaanlevering. De rechtbank houdt verdere beslissing aan en plant getuigenverhoren.
De zaak draait om de vraag of sprake is van een geldlening en of de transacties met toestemming zijn verricht, waarbij authenticiteit van documenten en handtekeningen centraal staan. De rechtbank benadrukt het belang van bewijslevering door beide partijen en stelt de procedure voort.
Uitkomst: De rechtbank draagt partijen op bewijs te leveren over de vermeende lening en onrechtmatige transacties en houdt verdere beslissing aan.