ECLI:NL:RBUTR:2008:BE9143

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
11 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/611453-06 0
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerij

De rechtbank Utrecht behandelde op 11 juni 2008 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van maximaal €65.902,55, voortvloeiend uit een eerdere veroordeling wegens medeplegen van een overtreding van de Opiumwet met betrekking tot hennepkwekerij in de periode van 1 februari tot en met 27 mei 2005.

Tijdens de terechtzitting op 28 mei 2008 concludeerde de officier van justitie tot afwijzing van de vordering omdat uit het dossier niet bleek dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel had genoten uit het strafbare feit. De rechtbank stemde hiermee in en oordeelde dat niet was komen vast te staan dat de veroordeelde baten had verkregen uit het strafbare feit.

De rechtbank wees daarom de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af, waarmee de verplichting tot betaling aan de Staat niet werd opgelegd. Dit vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken, waarbij mr. J.M. Bruins wegens verhindering het vonnis niet medeondertekende.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijk genoten voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummer: 16/611453-06 (ontneming)
Datum uitspraak: 11 juni 2008
Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],
wonende te [adres].
Raadsvrouw: mr. N.J. Hos, advocaat te Amersfoort, uitdrukkelijk gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei 2008.
De vordering
De vordering van de officier van justitie d.d. 23 april 2008 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4, Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 65.902,55.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie echter geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, nu uit het dossier niet blijkt dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft genoten.
Beoordeling van de vordering
Bij vonnis van deze rechtbank van 11 juni 2008 is de veroordeelde in zijn strafzaak veroordeeld ter zake van het navolgende strafbare feit:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een artikel 3 aanhef Pro en onder B van de Opiumwet gegeven verbod,
gepleegd in de periode van 01 februari 2005 tot en met 27 mei 2005.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van de veroordeelde van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de veroordeelde door middel van of uit de baten van genoemd strafbaar feit voordeel heeft genoten.
De vordering van de officier van justitie dient dan ook te worden afgewezen.
DE BESLISSING
De rechtbank:
Wijst de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. P. Wagenmakers, voorzitter, J.M. Bruins en D.A.C. Koster, bijgestaan door mr. S.L.D. Marx als griffier
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2008.
Mr. J.M. Bruins is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.