ECLI:NL:RBUTR:2008:BF9673
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vruchtgebruik nalatenschap onterfde weduwe en zoon
De onterfde weduwe verzocht de rechtbank om het vruchtgebruik te verkrijgen op alle overige goederen uit de nalatenschap van haar overleden echtgenoot, met uitzondering van de echtelijke woning en inboedel. Zij beriep zich op haar verzorgingsbehoefte en die van haar jong-meerderjarige zoon. De rechtbank overwoog dat bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 4:30 BW Pro alle relevante omstandigheden moeten worden meegewogen, waaronder het passende verzorgingsniveau, het eigen inkomen van de verzoekster, het inkomen dat zij redelijkerwijs kan verwerven, en het inkomen dat haar zoon kan verwerven.
De rechtbank stelde vast dat de verzoekster en haar zoon over voldoende inkomen beschikken om in hun behoeften te voorzien. Daarbij werd rekening gehouden met de WIA-uitkering, nabestaandenuitkering, loon, inkomsten uit een appartement in Spanje, en studiefinanciering en loon van de zoon. Ook werd gelet op toekomstige ontwikkelingen zoals het bereiken van de meerderjarigheid van de zoon en het beëindigen van de onderhoudsplicht. De rechtbank concludeerde dat de verzoekster geen recht heeft op het gevraagde vruchtgebruik omdat zij geen behoefte heeft aan een aanvullende voorziening.
Verder werd het verzoek tot een voorlopige voorziening afgewezen omdat de hoofdzaak reeds was beslist. De verzoekster werd veroordeeld in de proceskosten van zowel de hoofdzaak als het incident. De rechtbank wees ook het betoog af dat de onterving van de weduwe vanwege haar contact met een jeugdvriend een rol zou moeten spelen bij de beoordeling, omdat de wet en wetsgeschiedenis daarvoor geen aanknopingspunten bieden.
Uitkomst: Het verzoek tot het vestigen van vruchtgebruik op de nalatenschap wordt afgewezen wegens voldoende bestaand inkomen van verzoekster en zoon.