ECLI:NL:RBUTR:2008:BG5273
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens ontbreken klachtvereiste bij klachtdelicten
In deze strafzaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie centraal. Verdachte werd verdacht van seksuele handelingen die zich in augustus 2002 zouden hebben voorgedaan. Op dat moment was het klachtvereiste voor klachtdelicten nog van kracht, wat betekent dat vervolging alleen mogelijk is na een klacht van het slachtoffer.
De raadsvrouwe van verdachte voerde een preliminair verweer dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat geen klacht was ingediend door het slachtoffer. Het OM erkende dat de feiten in augustus 2002 plaatsvonden en dat geen klacht was ingediend. De rechtbank stelde vast dat het slachtoffer geen aangifte wilde doen en geen strafvervolging wenste.
De rechtbank concludeerde dat het klachtvereiste op het moment van de feiten nog gold en dat het ontbreken van een klacht betekent dat het OM niet-ontvankelijk is in de vervolging. Daarom verklaarde de rechtbank het OM niet-ontvankelijk voor de ten laste gelegde feiten.
Deze beslissing werd genomen na onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2008 en is gebaseerd op de eigen verklaring van verdachte, de verklaring van het slachtoffer en de wetswijziging per 1 oktober 2002.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een klacht bij klachtdelicten gepleegd vóór wetswijziging.