ECLI:NL:RBUTR:2008:BI0045
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en toepasselijk recht bij Iraans-Nederlands huwelijk
Partijen zijn in Iran gehuwd zonder rechtskeuze voor hun huwelijksvermogensregime en vestigden hun eerste gezamenlijke verblijfplaats in Nederland. De man verzocht toepassing van Nederlands recht voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, inclusief de verdeling van schulden. De vrouw betwistte de gemeenschap van goederen en stelde dat Iraans recht van toepassing is, waarbij zij aanspraak maakt op een bruidschat.
De rechtbank oordeelde dat zonder rechtskeuze het toepasselijke recht wordt bepaald volgens het Haags Huwelijksvermogensverdrag, waarbij het eerste huwelijksdomicilie leidend is, tenzij uitzonderingen gelden. Omdat Nederland een land is dat artikel 5 van Pro het Verdrag heeft verklaard, kan het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen (Iran) van toepassing zijn, mits het Iraanse internationaal privaatrecht dat toestaat.
De rechtbank kon deze vraag niet zelfstandig beantwoorden en stelde daarom een aantal gedetailleerde vragen aan het Internationaal Juridisch Instituut over het Iraanse huwelijksvermogensrecht, de bruidschat en de verhouding tot het Nederlandse recht. De procedure werd aangehouden tot ontvangst van het rapport, waarna partijen gelegenheid krijgen zich uit te laten over de voortzetting.
Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan in afwachting van een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut over het toepasselijke huwelijksvermogensrecht.