ECLI:NL:RBUTR:2009:BH1678
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.J.G. van Osta
- J.R. Krol
- M.H.L. Schoenmakers
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs bij zware mishandeling echtgenote
De rechtbank Utrecht behandelde op 3 februari 2009 de strafzaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn echtgenote in november 2008. De tenlastelegging betrof een traumatische miltruptuur, waarvan werd gesteld dat deze was veroorzaakt door een stomp of harde duw van verdachte.
De medische verklaring van de behandelend arts stelde dat een dergelijk letsel alleen kan ontstaan door excessief inwerkend geweld zoals schoppen, slaan met een knuppel of van de trap gooien, en niet door een stomp of duw. De officier van justitie baseerde zich op de aangifte, verklaringen van verdachte en de arts, en vorderde een bewezenverklaring.
De verdediging voerde aan dat het letsel niet door het omschreven geweld kon zijn veroorzaakt en dat het geweld van achter het slachtoffer moest zijn gekomen, waardoor opzet ontbrak. De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet overeenkwam met de tenlastelegging en dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte het feit had begaan zoals omschreven.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde feit. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde werd niet-ontvankelijk verklaard en het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat hij het letsel heeft toegebracht zoals omschreven.