ECLI:NL:RBUTR:2009:BH4787

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
26 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16-712004-08
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 24c SrArt. 36b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en bedreiging met mes en vernieling autoband

Op 8 november 2008 heeft verdachte in Utrecht een politiebrigadier bedreigd met de woorden "Ik maak je dood" en "Ik steek je dood" en heeft hij met een mes twee keer krachtig gestoken in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer. Hoewel het slachtoffer niet geraakt werd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van poging tot doodslag. Daarnaast heeft verdachte met datzelfde mes de autoband van het slachtoffer lek gestoken.

Verdachte ontkent de feiten en stelt dat het slachtoffer de ruzie begon. De rechtbank acht echter de verklaring van het slachtoffer en getuigen betrouwbaar en wijst het alternatieve scenario van verdachte af. Het mes is aangetroffen op de vluchtroute en herkend als dat van verdachte.

De rechtbank weegt mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt en geen berouw toont, dat het slachtoffer een willekeurig persoon was en dat de feiten op de openbare weg plaatsvonden. De straf wordt deels voorwaardelijk opgelegd om herhaling te voorkomen.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot betaling van materiële en immateriële schade aan het slachtoffer en legt zij beslag op het klapmes dat aan verdachte toebehoorde. De autoband wordt teruggegeven aan het slachtoffer.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht op 26 februari 2009.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor poging tot doodslag, bedreiging en vernieling.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16/712004-08 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 februari 2009
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein te Nieuwegein.
Raadsman: mr. J.E.H. Clifford Kocq van Breugel, advocaat te Utrecht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 februari 2009, waarbij de officier van justitie, mr. F. van Veghel, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [slachtoffer] heeft bedreigd en een autoband van [slachtoffer] heeft vernield.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
4.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 primair en subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
Zowel verdachte als zijn raadsman heeft daartoe de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever betwist.
Verdachte heeft aangevoerd dat niet hij, maar aangever de betreffende ruzie is begonnen door hem bijna aan te rijden, daarna direct uit te stappen en hem vervolgens zonder enige aanleiding daartoe een kopstoot te geven. Hierna hebben zij kort woorden gehad, waarna verdachte weg is gelopen en daarna is aangehouden. Van een aanval met een mes en een vernieling van een autoband is geen sprake geweest, aldus verdachte.
De raadsman heeft ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever aangevoerd dat deze verklaring, in het bijzonder met betrekking tot het mes dat verdachte bij zich zou hebben gedragen, niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo verklaart geen enkele getuige dat verdachte die avond een mes bij zich droeg en is niet vast komen te staan dat het aangetroffen mes van verdachte is, nu er geen DNA-sporen van verdachte op zijn aangetroffen, aldus de raadsman. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de autoband ook door een andere oorzaak beschadigd geraakt kan zijn en bij toeval op het moment dat verdachte naast de auto hurkte, leeg is gelopen.
De raadsman heeft ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging aangevoerd dat uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is af te leiden dat de bedreiging van aangever van dien aard was dat bij hem de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Bovendien moet [slachtoffer] als politieambtenaar tegen een stootje kunnen, aldus de raadsman.
4.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaring van aangever betrouwbaar is. Daartoe overweegt de rechtbank dat deze verklaring steun vindt in de verklaringen die getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ter terechtzitting hebben afgelegd. De verklaring van aangever en de verklaringen van voornoemde getuigen vinden voorts steun in het proces-verbaal van onderzoek door de technische recherche, waaruit blijkt dat de autoband van aangever tweemaal met een scherprandig voorwerp, zoals een mes, is doorstoken. Tot slot is door de politie in een tuin, gelegen aan de vluchtroute die verdachte na het incident nam, een mes aangetroffen. De uiterlijke kenmerken van dit mes komen overeen met de omschrijving die aangever hiervan heeft gegeven. Bovendien wordt het mes door getuige [getuige 3] herkend als zijnde het mes van verdachte. De rechtbank gaat er, gelet op voornoemde omstandigheden, van uit dat aangever de waarheid heeft verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat het alternatieve scenario dat door verdachte is geschetst niet aannemelijk is, nu dit scenario door geen enkel ander bewijsmiddel wordt ondersteund.
De rechtbank heeft uit de verklaringen van aangever en de verklaringen van getuigen [getuige 3], [getuige 1] en [getuige 2] de overtuiging bekomen dat verdachte op
8 november 2008 samen met getuige [getuige 3], aangifte wilde doen bij het politiebureau Paardenveld te Utrecht en daar - naar zijn mening - te lang moest wachten. Verdachte werd daarom boos, verliet het politiebureau en reageerde zijn boosheid, frustratie en agressie af op aangever, een brigadier van politie Utrecht in burger, die bij toeval aan kwam rijden in zijn auto. Verdachte versperde de weg voor aangever en bedreigde hem onder andere met de woorden “Ik maak je dood” en “Ik steek je dood” en “Ik maak je af”. Ondanks diverse pogingen van zowel aangever als getuige [getuige 3] om verdachte tot bedaren te brengen, bleef verdachte agressief, waarbij hij aangever woordelijk bleef bedreigen. Zelfs nadat aangever uit zijn auto was gestapt en zich bekend had gemaakt als politieagent en getuige [getuige 3] tussen verdachte en aangever in ging staan, kalmeerde verdachte niet.
Verdachte pakte vervolgens het mes dat hij bij zich droeg en hij haalde hiermee tot tweemaal toe uit naar het bovenlichaam van aangever, die beide keren net op tijd weg wist te springen zodat hij niet werd geraakt. Aangever wist weg te rennen en nadat verdachte besefte dat hij aangever niet zou kunnen inhalen, keerde hij om, liep naar de auto van aangever en stak tweemaal met het mes in een autoband, waardoor deze autoband werd vernield.
Bij de beoordeling van het onderhavige feitencomplex acht de rechtbank het met name van belang dat verdachte tot tweemaal toe met een mes heeft gestoken in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer. Blijkens het proces-verbaal van onderzoek door de technische recherche, voornoemd, betreft het mes een klapmes met totale lengte van 18,5 centimeter. Het lemmet van dit mes is 8,5 centimeter. Uit de verklaring van aangever leidt de rechtbank af dat beide stekende bewegingen van verdachte krachtig waren en gericht waren op het bovenlichaam van aangever, op de hoogte tussen zijn heup en oksel.
De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat het gebied tussen heup en de oksel een gebied is met vitale organen - zoals onder meer longen, hart, lever en nieren - en dat de kans dat door middel van het steken met een dergelijk mes een vitaal orgaan wordt geraakt als gevolg waarvan dodelijk letsel wordt toegebracht, als aanmerkelijk dient te worden beschouwd. Verdachte moet dat ook geweten hebben. De vraag waarvoor de rechtbank zich dan gesteld ziet is of verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Alhoewel verdachte niets heeft verklaard over zijn intentie om aangever iets aan te doen, is de rechtbank van oordeel dat uit de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, volgt dat hij deze intentie heeft gehad. Uit de verklaring van aangever blijkt immers dat verdachte hem meermalen woordelijk dreigde te doden/neer te steken. Daarnaast blijkt uit de verklaring van aangever dat verdachte krachtig en gericht stak in de richting van zijn bovenlichaam. Toen aangever door weg te springen wist te voorkomen dat hij geraakt werd, haalde verdachte opnieuw met kracht en gericht uit met het mes. Dit handelen is, zeker onder deze omstandigheden, zozeer gericht op het om het leven brengen van aangever, dat het niet anders kan zijn dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever ook heeft aanvaard. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
De rechtbank acht tevens de onder 2 ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de door verdachte jegens [slachtoffer] gedane uitlatingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij hem de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Dat de bedreigingen zijn geuit tegen een politieambtenaar, die op dat moment overigens geen dienst had, doet daar, gelet op de aard en de ernst van de bedreigingen en de omstandigheden waaronder deze geuit zijn, niet aan af.
De rechtbank is ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde vernieling van oordeel dat het alternatieve scenario dat door de raadsman is geschetst, niet aannemelijk is en acht gezien de verklaringen van aangever en getuigen alsmede het proces-verbaal van onderzoek door de technische recherche, voornoemd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook dit feit heeft gepleegd.
4.3. De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1.
Primair
op 8 november 2008 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], brigadier van politie regio Utrecht, van het leven te
beroven, opzettelijk meerdere malen, met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van de borst en/of de buik van die [slachtoffer], zijnde de uitvoering
van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
2.
op 8 november 2008 te Utrecht, [slachtoffer], brigadier van politie regio
Utrecht, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood" en “Ik steek je dood" en "Ik maak je af";
3.
op 8 november 2008 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een band van een auto, toebehorende aan [slachtoffer], brigadier van politie regio Utrecht, heeft vernield, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die band met een mes lek te steken;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
6.1. De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte aangevoerd en de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden bij de bepaling van de strafmaat.
6.3. Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.
Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte is, nadat hij - naar zijn mening - te lang moest wachten op het politiebureau voor het doen van aangifte boos naar buiten gelopen. Eenmaal buiten reageerde hij zijn boosheid en agressie af op een volstrekt willekeurig slachtoffer door dit slachtoffer niet alleen met de dood te bedreigen maar ook te pogen de daad bij het woord te voegen door tot tweemaal toe te proberen het slachtoffer met een mes neer te steken. Vervolgens heeft verdachte met ditzelfde mes de autoband van het slachtoffer lek gestoken.
De rechtbank acht het bewezenverklaarde buitengewoon ernstig, zeker nu het gaat om feiten die op de openbare weg zijn gepleegd ten aanzien van een volkomen willekeurig slachtoffer. Het slachtoffer zal zich altijd blijven afvragen waarom dit hem heeft moeten overkomen. De door verdachte gepleegde feiten zijn niet alleen voor het slachtoffer bijzonder traumatiserend, maar versterken tevens gevoelens van angst en onveiligheid bij burgers, hetgeen de rechtbank als strafverzwarende omstandigheid aanmerkt. Met name de redeloze wijze waarop het slachtoffer is aangevallen, zonder dat verdachte zich heeft bekommerd om het leed dat aan het slachtoffer werd aangedaan, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Bij de bepaling van de strafmaat neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verdachte op geen enkele wijze de verantwoordelijkheid neemt voor hetgeen hij het slachtoffer heeft aangedaan, dat hij onterecht en ongefundeerd het slachtoffer aanwijst als degene die het conflict is begonnen en dat hij er geen blijk van geeft het strafwaardige van zijn handelen in te zien. Het laatstgenoemde argument geeft tevens aanleiding voor recidive te moeten vrezen. Deze overwegingen benadrukken de noodzaak om verdachte op onmiskenbare wijze duidelijk te maken dat de door hem gepleegde feiten volstrekt onaanvaardbaar zijn.
Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.
10 november 2008, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder veroordeeld is in verband met soortgelijke feiten. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 11 februari 2009, opgemaakt door T. de Bie, reclasseringswerker.
De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De door de rechtbank op te leggen gevangenisstraf wordt gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, waarvan het onvoorwaardelijk deel lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer], domicilie kiezende te Utrecht, vordert ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten een schadevergoeding van € 1.657,95, waarvan
€ 157,95 ter zake van materiële schade en € 1.500,00 ter zake van immateriële schade.
De rechtbank is van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.
Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.
8. Het beslag
8.1. De onttrekking aan het verkeer
De rechtbank acht het in beslag genomen klapmes vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu is gebleken dat de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten zijn begaan met behulp van voornoemd voorwerp. Verder is voornoemd voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
8.2. De teruggave aan rechthebbende
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen autoband aan [slachtoffer], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 57, 285, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
10. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: (primair): poging tot doodslag;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten
dele aan een ander toebehoort, vernielen;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan
6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.657,95, waarvan € 157,95 ter zake van materiële schade en € 1.500,00 ter zake van immateriële schade;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 1.657,95 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 33 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen zilverkleurige klapmes;
- gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de inbeslaggenomen autoband.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. D.J.A. Kuipers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 februari 2009.
Mr. D.J.A. Kuipers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.