ECLI:NL:RBUTR:2009:BH9311

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
1 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
240534/ HA ZA 07-2224.
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. van Hees
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 149 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling kredietbedrag na echtscheiding toegewezen wegens niet-nakoming bewijsverplichting

In deze civiele zaak tussen ex-echtgenoten staat de verdeling van gemeenschappelijke goederen centraal, met name het flexibel krediet bij ABN Amro bank. De rechtbank heeft eerder een tussenvonnis gewezen waarin de man werd opgedragen afschriften van de rekening te overleggen om de stellingen van de vrouw te kunnen onderbouwen.

De man heeft echter nagelaten deze stukken te overleggen, met als reden dat zijn huisraad, inclusief de gevraagde documenten, zich in opslag bevindt vanwege zijn verhuizing naar Portugal. De vrouw handhaaft haar stelling dat het volledige krediet aan de man is overgemaakt en dat zij geen gelden heeft onttrokken.

De rechtbank neemt de stellingen van de vrouw als voldoende bewezen aan op grond van artikel 149 lid 1 Rv Pro, omdat de man zijn bewijsverplichting niet is nagekomen. Hierdoor wordt de man veroordeeld tot betaling van een bedrag van €34.460,86, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 oktober 2007. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: Man wordt veroordeeld tot betaling van €34.460,86 plus wettelijke rente wegens niet-nakoming bewijsverplichting.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 240534 / HA ZA 07-2224
Vonnis van 1 april 2009
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. M.R. Ruygvoorn,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. J.M. van Noort.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 december 2008, met de in dat vonnis genoemde gedingstukken
- de akte van 21 januari 2009 aan de zijde van [gedaagde]
- de antwoordakte van 18 februari 2009 aan de zijde van [eiseres].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1. Partijen zijn ex-echtgenoten. Partijen verschillen van mening over (gemaakte afspraken over) de verdeling van een aantal gemeenschappelijke goederen. Thans is nog in geschil de post “Flexibel krediet ABN Amro bank”. Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagde] opgedragen bij akte afschriften in het geding te brengen waarop zichtbaar is welke mutaties op de rekening hebben plaatsgevonden (kort) voor en na de data van 20 april 2005 en 29 april 2005, teneinde [eiseres] in de gelegenheid te stellen haar stellingen omtrent het flexibel krediet te onderbouwen. De zaak is met voormeld doel naar de rol verwezen voor aktewisseling.
2.2. Bij akte maakt [gedaagde] kenbaar dat het hem niet is gelukt om binnen de termijn de door de rechtbank verzochte producties aan te leveren. Vanwege de omstandigheid dat [gedaagde] de facto is verhuisd naar Portugal bevindt zijn huisraad, waaronder de door de rechtbank verzochte bescheiden, zich in de opslag. Het is voor [gedaagde] niet mogelijk de bescheiden op te zoeken en daaruit weg te halen.
2.3. Bij antwoordakte stelt [eiseres] zich op het standpunt dat nu [gedaagde] geen afschriften heeft overgelegd, (voor haar) genoegzaam vast staat dat [gedaagde] de gelden heeft ontvangen. Zij handhaaft voorts de stelling dat het volledige krediet aan [gedaagde] is overgemaakt en dat zij nimmer gelden heeft onttrokken aan het krediet.
2.4. De rechtbank heeft bij voormeld tussenvonnis [gedaagde] opgedragen afschriften in het geding te brengen vanwege de omstandigheid dat op de kredietovereenkomst d.d. 17 april 2005 het rekeningnummer van [gedaagde] vermeld staat en [gedaagde] de daarvoor door [eiseres] gegeven verklaring - inhoudende dat het rekeningnummer van [gedaagde] staat vermeld, omdat het krediet ten gunste van hem is afgesloten - niet heeft bestreden, alsmede vanwege het gegeven dat [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard dat hij “misschien wel een paar duizend euro heeft ontvangen.” In dit licht en gezien het feit dat [gedaagde] de betreffende afschriften niet in het geding heeft gebracht, waarmee aan [eiseres] niet de gelegenheid is geboden haar stellingen omtrent het flexibel krediet te onderbouwen, zal de rechtbank de stellingen van [eiseres] op dit punt als onvoldoende betwist door [gedaagde] op de voet van artikel 149 lid 1 Rv Pro als vaststaand aannemen. Dit betekent dat [gedaagde] gehouden is het door [eiseres] gestelde bedrag van € 15.964,- dat zij als aflossing op het krediet stelt te hebben voldaan, aan [eiseres] te voldoen.
2.5. In totaal ligt derhalve voor toewijzing gereed € 34.460,86 (€ 15.964,- plus € 18.496,86, zie voor dit laatste bedrag rechtsoverweging 4.8. van meergenoemd tussenvonnis).
2.6. [eiseres] heeft voorts wettelijke rente gevorderd. De rechtbank zal dit deel van de vordering toewijzen vanaf
1 oktober 2007 (datum dagvaarding), nu het instellen van de eis kan worden gezien als een schriftelijke mededeling dat [gedaagde] aansprakelijk wordt gesteld voor de schade die [eiseres] lijdt als gevolg van de vertraging in de betaling van de geldsom door [gedaagde].
2.7. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van beslag en eventuele nakosten, tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 34.460,86, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 oktober 2007 tot de dag van volledige betaling,
3.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2009.
w.g. griffier w.g. rechter