ECLI:NL:RBUTR:2009:BI1254

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
15 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
197292/ HA ZA 05-1363.
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A.M.E. van der Burg-van Geest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 1 CMR-verdragArt. 31 lid 2 CMR-verdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident en gezag van gewijsde naar Duits recht in handelsgeschil

De rechtbank Utrecht behandelt een bevoegdheidsincident in een handelsgeschil tussen Nederlandse en Duitse partijen. De kern van het geschil betreft de vraag of de Nederlandse rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de zaak, gelet op een lopende procedure bij Duitse rechtbanken en het gezag van gewijsde van de Duitse uitspraak.

De rechtbank verwijst naar artikel 31 lid 2 van Pro het CMR-verdrag en constateert dat de Duitse rechter de zaak inhoudelijk heeft behandeld en zich bevoegd heeft geacht. De Nederlandse rechtbank moet beoordelen of de Nederlandse procedure een nieuwe vordering betreft over hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen.

Gezien de complexiteit van het gezag van gewijsde onder Duits recht, heeft de rechtbank ambtshalve het Internationaal Juridisch Instituut opdracht gegeven hierover te rapporteren. Partijen krijgen gelegenheid om zich over dit rapport uit te laten. De rechtbank houdt verdere beslissing aan en stelt de procedure open voor nadere akten.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en laat een deskundigenrapport over gezag van gewijsde naar Duits recht opstellen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 197292 / HA ZA 05-1363
Vonnis in incident van 15 april 2009
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] ALLROUND CARGO B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. E.H. de Jonge- Wiemans,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EXEL NEDERLAND B.V.,
rechtsopvolgster van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MSAS HI-TECH LOGISTICS VEGHEL B.V.,
gevestigd te Veghel,
gedaagde in de hoofdzaak,
niet verschenen,
2. de vennootschap naar Duits recht
TRANS-O-FLEX SCHNELL-LIEFERDIENST GMBH,
gevestigd te Weinheim (Duitsland),
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. J.M. van Noort,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 3] EXPEDITIE B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde in de hoofdzaak,
advocaat mr. M.R. Ruygvoorn.
Partijen zullen hierna [eiseres] en Trans-o-Flex c.s. genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis in het incident van 26 juli 2006
- de nadere conclusie in het incident, tevens houdende akteverzoek doorprocederen tevens houdende akte overlegging producties d.d. 1 oktober 2008 van eiseres in het incident (hierna te noemen: Trans-o-Flex)
- de antwoordconclusie tevens houdende uitlating akteverzoek en akte overlegging producties van [eiseres].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De verdere beoordeling in het incident
2.1. De rechtbank blijft bij de inhoud van het tussenvonnis van 26 juli 2006 en bouwt daarop voort. In dit tussenvonnis heeft de rechtbank de beslissing in het incident en de hoofdzaak aangehouden totdat de Duitse rechter (Landgericht Hanau) een beslissing over de bevoegdheid heeft genomen terzake van de rechtszaak die tussen partijen in Duitsland loopt. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de meest gerede partij onder overlegging van de uitspraak van de Duitse rechter om voortzetting van het geschil in het incident kan verzoeken.
2.2. Bij nadere conclusie heeft Trans-o-flex uitspraken overgelegd van Duitse rechters in de Duitse rechtszaak (Landgericht Hanau en Oberlandesgericht Frankfurt am Main), waaruit volgens haar blijkt dat de Duitse rechter zich bevoegd heeft geacht over de zaak te oordelen. Daarmee staat volgens haar vast dat de rechtbank Utrecht zich onbevoegd dient te verklaren om van het geschil kennis te nemen.
2.3. [eiseres] heeft zich verweerd met de stelling dat het Oberlandesgericht heeft geoordeeld dat de aldaar aanhangige procedure en de onderhavige bij deze rechtbank aangebrachte procedure niet gaan om dezelfde rechtsstrijd, en dat de rechtbank Utrecht derhalve wel degelijk bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. [eiseres] wijst is dit kader op de volgende overweging van het Oberlandesgericht:
“Vorliegend ist allerdings nicht derselbe Streitgegenstand gegeben. Da die negative Feststellingsklage hinder dem Rechtsschutzziel der Leistungsklage zurückbleibt, begründet sie keine Rechtshängigkeitssperre für eine entsprechende Leistungsklage”
2.4. De rechtbank heeft in haar vonnis van 26 juli 2006 aangegeven dat de beoordeling van de incidentele vordering dient plaats te vinden aan de hand van artikel 31 lid 2 van Pro het CMR-verdrag. Deze bepaling luidt als volgt:
Wanneer in een rechtsgeding, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, een vordering aanhangig is voor een volgens dat lid bevoegd gerecht, of wanneer in een zodanig geding door een zodanig gerecht een uitspraak is gedaan, kan geen nieuwe vordering omtrent hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen worden ingesteld, tenzij de uitspraak van het gerecht, waarvoor de eerste vordering aanhangig is gemaakt, niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging in het land, waarin de nieuwe vordering wordt ingesteld.
2.5. Uit de overgelegde uitspraken blijkt dat het Landgericht Hanau in de tussen partijen in Duitsland aanhangige procedure heeft beslist om de vordering tot schadevergoeding van Trans-o-flex toe te wijzen. In hoger beroep heeft het Oberlandesgericht de zaak terugverwezen. Hieruit volgt dat de Duitse rechter de zaak inhoudelijk heeft behandeld heeft en zich (impliciet) bevoegd heeft geacht om van het geschil kennis te nemen. Het staat niet ter beoordeling van de Nederlandse rechter of dit terecht is geschied. Overigens blijkt uit de uitspraken dat het hier gaat om aflevering van goederen in Mühlheim (Duitsland) zodat op die grond aan het vereiste van artikel 31 lid Pro 1
CMR-verdrag is voldaan.
2.6. Kern van het resterende geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of in de onderhavige procedure sprake is van “een nieuwe vordering omtrent hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen” in de zin van lid 2 van artikel 31 CMR Pro-verdrag. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] zich beroept op het gezag van gewijsde van de uitspraak van het Oberlandesgericht. De vraag naar de omvang van het gezag van gewijsde dat aan deze beslissing van de Duitse rechter toekomt en het rechtsgevolg daarvan, wordt naar vaste jurisprudentie bepaald door het recht van het land waarin de beslissing is gegeven (vgl. HR 12 maart 2004, NJ 2004, 284 en Hoge Raad 11 juli 2008, NJ 2008,417). De bindende kracht die de Duitse uitspraak in Nederland heeft, wordt dus in de eerste plaats door het Duitse recht bepaald. De rechtbank heeft behoefte aan deskundige voorlichting terzake van het bestaan en de omvang van het gezag van gewijsde dat naar Duits recht toekomt aan de uitspraak van het Oberlandesgericht. Daarom heeft de rechtbank met het oog op een voortvarende afdoening van de zaak (mede gezien het feit dat het om een incidentele vordering gaat), ambtshalve opdracht verleend aan het Internationaal Juridisch Instituut te 's-Gravenhage (hierna: het IJI) om hierover te rapporteren.
2.7. Het IJI heeft op 30 maart 2009 een rapport uitgebracht dat aan dit vonnis gehecht. De rechtbank stelt beide partijen in staat om zich over de inhoud van het rapport bij akte uit te laten, en wel gelijktijdig. Vervolgens kunnen partijen, wederom gelijktijdig, bij antwoordakte reageren op de akte van de wederpartij. De rechtbank merkt overigens op dat de kosten van de rapportage van het IJI ten laste van ’s Rijks kas zullen worden gebracht. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 mei 2009 voor het nemen van een akte door beide partijen gelijktijdig, met het in onderdeel 2.7 van dit vonnis omschreven doel,
3.2. verstaat dat beide partijen vervolgens, wederom gelijktijdig, antwoordaktes zullen kunnen nemen,
3.3. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest, rechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2009.
w.g. griffier w.g. rechter