ECLI:NL:RBUTR:2009:BI3388
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verbetering geslachtsnaam minderjarige vanwege gezagskwestie
De zaak betreft een verzoek van de officier van justitie om de geslachtsnaam van een minderjarige te verbeteren in de geboorteakte. De vader had zijn geslachtsnaam gewijzigd bij Koninklijk besluit, maar had op dat moment nog geen gezag over de minderjarige. De ouders waren het niet eens met het verzoek omdat zij bewust hadden gekozen voor de geslachtsnaam van de vader en de minderjarige deze naam al vier jaar gebruikte.
De rechtbank overwoog dat volgens artikel 1:7 lid 3 BW Pro een wijziging van de geslachtsnaam van een ouder geen invloed heeft op de geslachtsnaam van kinderen die niet onder zijn gezag staan. De wetgever heeft deze uitzondering ingevoerd om problemen te voorkomen, maar de rechtbank stelde vast dat de huidige wettelijke situatie met gezamenlijk gezag na echtscheiding deze problemen vrijwel uitsluit.
De rechtbank concludeerde dat de uitzonderingsregel niet bedoeld is voor deze situatie, mede omdat de ouders bewust voor de naam van de vader hadden gekozen en het gezamenlijk gezag inmiddels was gevestigd. Bovendien zou het toewijzen van het verzoek leiden tot een situatie die door de wetgever niet beoogd is en tot verwarring in het maatschappelijk verkeer kan leiden.
Daarom wees de rechtbank het verzoek van de officier van justitie af en bevestigde dat de minderjarige de geslachtsnaam van de gezaghebbende ouder volgt.
Uitkomst: Het verzoek tot verbetering van de geslachtsnaam van de minderjarige wordt afgewezen omdat de vader op het moment van naamswijziging nog geen gezag had.