ECLI:NL:RBUTR:2009:BI9376
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.K. van de Poel
- P.M.J.H. Muijlaert
- Rechtspraak.nl
Waardering van opstallen en ondergrond bij Natuurschoonwet 1928 voor WOZ-waarde
De zaak betreft een beroepsprocedure tegen de vaststelling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak gelegen op een landgoed aangewezen onder de Natuurschoonwet 1928. Eiser betoogde dat bij de waardering de ondergrond van de opstallen buiten beschouwing moest blijven, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en literatuur.
De rechtbank overweegt dat de Wet WOZ geen definitie van gebouwd eigendom geeft, maar dat uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Gemeentewet blijkt dat de ondergrond van een gebouwd eigendom deel uitmaakt van dat eigendom. Dit is in lijn met het Burgerlijk Wetboek en de systematiek van de Wet WOZ. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser dat de ondergrond bij de vrijstelling van artikel 220d Gemeentewet buiten de waardering moet blijven.
De rechtbank concludeert dat de waarde van de ondergrond terecht is betrokken bij de waardering van het gebouwd eigendom en dat de vrijstelling van de Gemeentewet niet ziet op de ondergrond van de opstallen. De overige bezwaren van eiser tegen de waardering worden niet gegrond bevonden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde WOZ-waarde blijft gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardering wordt ongegrond verklaard; de ondergrond van de opstallen wordt bij de waardering betrokken.