ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ2000
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis wegens overschrijding verzettermijn na executoriaal beslag
De zaak betreft een verzetprocedure van de gedaagde tegen een verstekvonnis van 13 december 2006, waarbij hij veroordeeld werd tot betaling van een geldbedrag aan eiseres. De verzettermijn is volgens de rechtbank aangevangen op 8 juni 2007, na de executoriale verkoop van een auto waarop beslag was gelegd ter uitvoering van het verstekvonnis.
Gedaagde stelde dat hij niet tijdig in verzet was gekomen en dat hij niet bekend was met het verstekvonnis en de executie daarvan. De rechtbank oordeelde dat de wijziging van tenaamstelling van de auto op naam van de vader van gedaagde niet dwingend betekende dat gedaagde bekend was met het vonnis. Wel was gedaagde vanaf 8 mei 2007 bekend met het beslag en de executie, gelet op de deurwaardersbezoeken en betekening aan zijn huisgenoot.
De rechtbank concludeerde dat de verzettermijn terecht op 8 juni 2007 is aangevangen en dat gedaagde pas op 18 maart 2009 in verzet kwam, waardoor hij niet ontvankelijk is. Het verstekvonnis wordt bekrachtigd en gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van het verzet.
Uitkomst: Gedaagde wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn verzet wegens overschrijding van de verzettermijn; het verstekvonnis wordt bekrachtigd.