ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ3961

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
10 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
258053 / HA ZA 08-2334
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zekerheidsstelling proceskosten toegewezen voor lager bedrag dan gevorderd

In deze zaak vordert [Y] zekerheidstelling voor proceskosten van [X] ter hoogte van EUR 32.983,--, gebaseerd op proceskosten van een voorlopig getuigenverhoor en een begroting voor de hoofdprocedure. [X] betwist de hoogte van de gevorderde zekerheid en stelt dat een bedrag van EUR 9.384,-- voldoende is.

De rechtbank oordeelt dat het deel van de gevorderde zekerheid dat betrekking heeft op het voorlopig getuigenverhoor niet toewijsbaar is, omdat geen proceskostenveroordeling is uitgesproken en onvoldoende is gesteld waarom deze kosten op [X] zouden overgaan. Wel acht de rechtbank het redelijk rekening te houden met een proceskostenveroordeling van 5 punten in de hoofdprocedure.

Daarom wordt zekerheidstelling toegewezen, maar begroot op EUR 11.731,--, aanzienlijk lager dan gevorderd. Tevens wordt [X] veroordeeld in de kosten van het incident, begroot op EUR 452,--. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de zaak wordt op 22 juli 2009 voortgezet.

Uitkomst: Zekerheidsstelling voor proceskosten toegewezen voor EUR 11.731,--, lager dan gevorderd.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK UTRECHT
258053 / HA ZA 08-233410 juni 2009
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 258053 / HA ZA 08-2334
Vonnis in incident van 10 juni 2009
in de zaak van
[X],
wonende te [woonplaats] Colombia
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. J.C. Heuving,
tegen
[Y],
wonende te [woonplaats], België
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. T. Voortman.
Partijen zullen hierna [X] en [Y] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
• de dagvaarding met producties van 21 oktober 2008;
• de incidentele conclusie tot het stellen van zekerheid voor proceskosten ex artikel 224 Rv Pro;
• de incidentele conclusie van antwoord.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. [Y] heeft bij incidentele conclusie gevorderd dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat [X] verplicht is zekerheid te stellen voor de proceskosten waartoe zij veroordeeld zou kunnen worden, te weten EUR 32.983,--, met veroordeling van [X] in de kosten van het incident. [X] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2. Op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is [X] verplicht zekerheid te stellen ten behoeve van [Y], tenzij sprake is van één van de uitzonderingen van artikel 224 lid 2 Rv Pro. [X] beroept zich niet op één van die uitzonderingen. Ook de vorm waarin [Y] zekerheidsstelling wenst, wordt niet betwist.
2.3. Partijen verschillen wel van mening over de hoogte van de door [X] te stellen zekerheid. [Y] vordert zekerheidsstelling voor een bedrag van EUR 32.983,--. Dit bedrag is opgebouwd uit volgens hem door [X] verschuldigde proceskosten in een voorlopig getuigenverhoor gehouden tussen [Y] en Salix B.V., alsmede op een door hem opgestelde begroting van de proceskosten in de onderhavige procedure ter hoogte van EUR 20.983,-- . [X] betwist dat de mogelijke proceskostenveroordeling in de hoofdprocedure met [Y] ook een veroordeling in de proceskosten van het tussen [Y] en Salix B.V. gehouden voorlopig getuigenverhoor inhoudt. Voorts stelt [X] dat ter zake van de proceskosten van de hoofdprocedure zekerheidsstelling tot een bedrag van EUR 9.384,-- volstaat.
2.4. Het deel van de gevorderde zekerheidsstelling dat ziet op een proceskostenveroordeling voor een tussen [Y] en Salix B.V. gehouden getuigenverhoor is niet voor toewijzing vatbaar. Nog afgezien van het feit dat ter zake van het voorlopig getuigenverhoor geen proceskostenveroordeling is uitgesproken, is onvoldoende gesteld waarom thans met de in die procedure gemaakte proceskosten rekening moet worden gehouden. Het enkele feit dat de vordering van Salix B.V. gecedeerd is aan [X] maakt immers niet dat de voorafgaand aan die cessie door [Y] gemaakte kosten ter zake van die vordering op [X] zijn overgegaan.
2.5. Ten aanzien van de te verwachten hoogte van een proceskostenveroordeling in de hoofdprocedure voert [X] terecht aan dat het door [Y] verschuldigde vastrecht gemaximeerd is. Het maximaal door [Y] verschuldigde vastrecht bedraagt
EUR 1.148,--, welk bedrag ook door de rechtbank bij [Y] in rekening is gebracht. Hoewel [X] de omvang van de te verrichten proceshandelingen heeft betwist, ziet de rechtbank, gezien het mogelijke verloop van de procedure, voldoende aanleiding om vooralsnog rekening te houden met een proceskostenveroordeling van 5 punten (exclusief het onderhavige incident). Derhalve begroot de rechtbank de proceskosten (inclusief het onderhavige incident, het vastrecht en het nasalaris) waarvoor thans zekerheid dient te worden gesteld op EUR 11.731,--.
2.6. [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. beveelt [X] om binnen veertien dagen na heden zekerheid te stellen voor een bedrag van EUR 11.731,-- ten behoeve van [Y], ofwel door middel van een depotstorting ter hoogte van voor dit bedrag op de derdengeldrekening van de stichting derdengelden Wijn & Stael advocaten, ofwel door middel van een namens [X] aan [Y] door een Nederlandse bankinstelling afgegeven bankgarantie op eerste afroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak,
3.2. veroordeelt [X] in de kosten van het incident, aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op EUR 452,-- , voor salaris advocaat,
3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4. wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
3.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 juli 2009 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.M. de Wolf en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2009. LB
w.g. griffier