ECLI:NL:RBUTR:2009:BK3124
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en gevolgen voor WW-uitkering
SHL Nederland B.V. verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomsten van twee werknemers wegens functieverlies. Voor de geplande zittingen bereikten partijen een minnelijke regeling waarbij de arbeidsovereenkomsten met wederzijds goedvinden per 1 juli 2008 werden beëindigd, inclusief overeengekomen vergoedingen. Desondanks werden de ontbindingsprocedures pro forma voortgezet, wat leidde tot rechterlijke ontbindingen per 22 juli 2008.
Het UWV weigerde op grond van artikel 16 lid 3 WW Pro de werkloosheidsuitkeringen eerder dan 1 september 2008 toe te kennen, gerekend vanaf de rechterlijke ontbinding. De werknemers vorderden daarop loon over juli 2008, omdat zij de WW-uitkering in die maand misliepen. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomsten reeds per 1 juli 2008 rechtsgeldig waren beëindigd door wederzijds goedvinden, zodat SHL niet meer gehouden was loon te betalen over juli.
Verder werd geoordeeld dat het standpunt van het UWV niet aan SHL kan worden tegengeworpen en dat de werknemers door het nalaten van bezwaar tegen het UWV-besluit hun schade niet hebben beperkt. De vorderingen tot loonbetaling en incassokosten werden afgewezen, terwijl SHL in reconventie werd veroordeeld tot terugvordering van onverschuldigde betalingen. De proceskosten werden verdeeld met een beperkte veroordeling voor de werknemers.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomsten zijn per 1 juli 2008 met wederzijds goedvinden beëindigd, waardoor de loonvorderingen van de werknemers worden afgewezen.