ECLI:NL:RBUTR:2009:BK5248

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
19 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/600905-08
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a lid 3 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige hechtenis wegens aanhoudende ernstige bezwaren

De verdachte heeft een verzoek ingediend tot opheffing van zijn voorlopige hechtenis, stellende dat er geen ernstige bezwaren meer zijn die de hechtenis rechtvaardigen en dat de duur van het voorarrest mogelijk gelijk is aan de opgelegde straf bij veroordeling.

De officier van justitie verzet zich tegen dit verzoek en benadrukt dat de ernstige bezwaren en gronden voor voorlopige hechtenis nog steeds onverkort van toepassing zijn en dat de situatie van artikel 67a lid 3 Sv niet van toepassing is.

De rechtbank heeft de zaak onderzocht en geoordeeld dat de verdenking en bezwaren die tot de voorlopige hechtenis hebben geleid nog steeds bestaan. Gezien de ernst van de verdenking en het strafblad van de verdachte is de situatie van artikel 67a lid 3 Sv niet aan de orde.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af en handhaaft de hechtenis van de verdachte.

Uitkomst: Verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT afwijzing verzoek opheffing voorlopige hechtenis
Parketnummer: 16/600905-08
De rechtbank te Utrecht, meervoudige raadkamer;
gezien het verzoekschrift ingekomen op 19 november 2009 ter griffie van deze rechtbank,
strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis,
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1982] te [geboorteplaats],
thans verblijvende in PI Rijnmond, Huis van Bewaring Noordsingel te Rotterdam,
gehoord de officier van justitie, de verdachte en de raadsman mr. H.O. den Otter;
OVERWEEGT als volgt:
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte primair gebaseerd op de stelling dat er geen ernstige bezwaren en gronden aanwezig zijn die de voorlopige hechtenis van de verdachte rechtvaardigen. Daarnaast is de raadsman van mening dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte, in geval van veroordeling, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd langer dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ernstige bezwaren en gronden die hebben geleid tot de voorlopige hechtenis nog onverkort aanwezig zijn en de omstandigheid genoemd in artikel 67a lid 3 Sv niet in beeld is.
Overwegingen van de rechtbank
Na onderzoek is gebleken dat de verdenking en bezwaren, die tot het bevel tot gevangenhouding van voornoemde verdachte hebben geleid, ook thans nog onverkort bestaan en dat ook thans nog gronden aanwezig zijn voor toepassing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank is van oordeel dat de situatie van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering zich niet voordoet, gelet op de ernst van de verdenking en het strafblad van verdachte.
BESCHIKKENDE:
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
Aldus gedaan te Utrecht op 1 december 2009 door mrs. Z.J. Oosting, J.M. Bruins en H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden als griffier.