ECLI:NL:RBUTR:2009:BK5965
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Deskundigenonderzoek naar waardering aandeel in onroerende zaak bij verdeling mede-eigendom
De zaak betreft de verdeling van een onroerende zaak te [woonplaats], waarvan de broers [A] en [B] ieder voor de helft eigenaar waren. Na het overlijden van beide broers zijn hun erfgenamen mede-eigenaren geworden, te weten [eiser], [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2]. [Eiser] vordert de scheiding en deling van de gemeenschap van eigendom, terwijl partijen het eens zijn over de overdracht van het aandeel van [eiser] aan [gedaagde sub2] of eventueel [gedaagde sub1].
De kern van het geschil betreft de waardering van het aandeel van [eiser]. [Eiser] stelt dat de waarde moet worden vastgesteld vrij van huur en gebruik, terwijl [gedaagde sub2] betoogt dat de waarde in bewoonde staat moet worden vastgesteld, mede vanwege huur- en stallingsovereenkomsten met derden. De rechtbank oordeelt dat mede-eigenaren die in het pand wonen geen huurders zijn en dat de waarde daarom vrij van huur of bewoning moet worden bepaald. Wel moet rekening worden gehouden met de bestaande huur- en stallingsovereenkomsten met derden.
De rechtbank benoemt een deskundige, de heer C.G. Plomp, die de waarde van het aandeel moet taxeren rekening houdend met de huur- en stallingsovereenkomsten, maar zonder een huurovereenkomst tussen [gedaagde sub1] en haar zoon [C]. De kosten van het deskundigenonderzoek worden gelijkelijk verdeeld over de partijen. Verder worden procesafspraken gemaakt over de termijn en wijze van rapportage en het recht van partijen om opmerkingen te maken op het conceptrapport.
Uitkomst: De rechtbank beveelt een deskundigenonderzoek naar de waardering van het aandeel in de onroerende zaak, waarbij rekening wordt gehouden met huur- en stallingsovereenkomsten, maar zonder huurovereenkomst tussen mede-eigenaar en haar zoon.