ECLI:NL:RBUTR:2009:BK7552
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor medeplegen van handel in harddrugs en nietigheid tenlastelegging wapenbezit
De rechtbank Utrecht heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, onder B van de Opiumwet, door gedurende een langere periode amfetamine en cocaïne te verkopen en te verspreiden. De tenlastelegging met betrekking tot het bezit van een stroomstootwapen werd nietig verklaard vanwege een innerlijke tegenstrijdigheid in de feitelijke omschrijving.
De verdediging voerde aan dat onrechtmatige opsporingshandelingen hadden plaatsgevonden, met name het versturen van een brief door een verbalisant zonder machtiging, wat volgens hen tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moest leiden. De rechtbank oordeelde echter dat de brief geen opsporingshandeling was en dat de belangen van de verdediging niet waren geschaad, waardoor het OM ontvankelijk bleef.
Het bewijs bestond uit getuigenverklaringen, telefoontaps en confrontaties waarbij verdachte deels bekende. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen drugs handelde in een kleine gemeenschap, wat de impact van de drugshandel versterkte. De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en zijn eerdere strafblad, resulterend in een gevangenisstraf van 240 dagen waarvan 196 voorwaardelijk en een werkstraf van 120 uur.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 240 dagen gevangenisstraf, waarvan 196 voorwaardelijk, en een werkstraf van 120 uur voor medeplegen van handel in harddrugs.