ECLI:NL:RBUTR:2010:BL4026
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering woonhuis en bevoegdheid executeur tot verkoop in nalatenschap
De zaak betreft een geschil over de waardering van een woonhuis binnen de nalatenschap van de overleden erflater en de bevoegdheid van de executeur om dit woonhuis te verkopen. Eiseres stelt dat het woonhuis moet worden gewaardeerd tegen de leegwaarde van € 546.000,00, terwijl de executeur het taxatierapport hanteert met een waarde van € 327.500,00 in verhuurde staat.
De rechtbank stelt vast dat de huurovereenkomst tussen de erflater en een van de erfgenamen rechtsgeldig is en niet eindigt door overlijden. Hierdoor moet het woonhuis in de nalatenschap worden betrokken tegen de waarde in verhuurde staat. De executeur is bevoegd om het woonhuis te verkopen zonder toestemming van de erfgenamen, omdat dit noodzakelijk is voor het voldoen van schulden van de nalatenschap.
Verder wordt geoordeeld dat het vermeende voordeel uit de huurovereenkomst niet aan de huurder kan worden toegerekend en dat de huur vanaf het overlijden verschuldigd is. Ook is een lening van € 35.000,00 aan een erfgenaam onderwerp van bewijslevering, wat de verdere verdeling van de nalatenschap vertraagt.
De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af en houdt de verdere beslissing aan, waarbij partijen wordt aanbevolen overleg te plegen om tot overeenstemming te komen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en bevestigt de waardering van het woonhuis in verhuurde staat en de bevoegdheid van de executeur tot verkoop zonder toestemming erfgenamen.