ECLI:NL:RBUTR:2010:BL8965
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontbinding arbeidsovereenkomst financieel medewerker wegens onvoldoende bewijs disfunctioneren
Stichting BOEG verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst van haar financieel medewerker, omdat de organisatie als geheel slecht functioneerde en er sprake zou zijn van disfunctioneren van de medewerker. Uit onderzoeken van BMC en Deloitte bleek dat Stichting BOEG organisatorisch en administratief tekortschiet, maar er was geen specifiek bewijs dat de medewerker zelf onvoldoende functioneerde.
De medewerker was sinds 2002 in dienst, benoemd tot hoofd administratie met terugwerkende kracht, maar had niet altijd de formele bevoegdheden. Tijdens de onderzoeksperiode was hij arbeidsongeschikt. Na herstel keerde hij terug in een lagere functie. Stichting BOEG stelde dat er een onwerkbare situatie was ontstaan en dat de arbeidsovereenkomst daarom ontbonden moest worden.
De rechtbank oordeelde dat Stichting BOEG onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de medewerker zelf had gefaald in zijn functie. De rapporten richtten zich op de organisatie en de directeur, niet op de medewerker. Er waren geen functioneringsgesprekken of aanwijzingen van disfunctioneren. Ook was het op non-actief stellen zonder acute reden niet billijk.
Daarom wees de rechtbank het verzoek tot ontbinding af en veroordeelde Stichting BOEG in de proceskosten van de medewerker.
Uitkomst: Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst financieel medewerker wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van disfunctioneren.