ECLI:NL:RBUTR:2010:BM1967
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Boetebeding in NVM-koopakte: toepasselijkheid en matiging bij ontbinding koopovereenkomst
In deze zaak stond centraal of de boete uit artikel 10.2 of artikel 10.3 van de NVM-koopakte verschuldigd was nadat de koopovereenkomst tussen eiseres en gedaagden was ontbonden wegens niet-nakoming. Eiseres had de gedaagden eerst ingebreke gesteld en om nakoming verzocht, waarna zij de overeenkomst ontbond.
Gedaagde sub 1 voerde aan dat door ontbinding alle verplichtingen vervielen en dat alleen de boete uit artikel 10.2 verschuldigd zou zijn. Gedaagde sub 2 stelde dat zij onder dwang had getekend en derhalve niet aansprakelijk was. De rechtbank verwierp deze verweren, omdat het boetebeding expliciet ook bij ontbinding geldt en het ontbreken van wil onvoldoende was onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat de boete uit artikel 10.3 toepasselijk is, omdat eiseres eerst om nakoming had verzocht voordat zij ontbond. Wel matigde de rechtbank de boete tot €20.000 vanwege de buitensporige hoogte in verhouding tot de werkelijke schade, de lange duur van het geschil en persoonlijke omstandigheden van gedaagden.
De vorderingen tot rente en buitengerechtelijke kosten werden afgewezen, terwijl de beslagkosten grotendeels werden toegewezen. De rechtbank veroordeelde gedaagden hoofdelijk tot betaling van de gematigde boete en proceskosten.
Uitkomst: Gedaagden zijn een boete verschuldigd volgens artikel 10.3 van de koopakte, gemaximeerd tot €20.000, en worden veroordeeld in proces- en beslagkosten.