ECLI:NL:RBUTR:2010:BM3154

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
286269 HARK 10-167
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing wrakingsverzoek inzake kinderrechter in ondertoezichtstelling zaak

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen meerdere kinderrechters van de rechtbank Utrecht, waaronder mr. [X], in verband met de behandeling van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige zoon. Zij stelde dat de rechter partijdig was en dat de zitting onnodig was vertraagd en verplaatst.

De rechtbank oordeelde dat mr. [X] niet de behandelend rechter was in de betreffende zaak en dat wraking alleen kan worden gericht tegen de rechter die daadwerkelijk de zaak behandelt. De wrakingskamer verwees naar artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 6 EVRM Pro, waarin onpartijdigheid van de rechter wordt gewaarborgd, en benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen.

De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat mr. [X] geen rol had in de behandeling van de zaak van verzoekster en dat wraking niet kan worden toegepast op rechters die niet direct bij de zaak betrokken zijn. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kinderrechter werd niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet de behandelend rechter was.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: 286269 HARK 10-167
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
28 april 2010
in de zaak van
mevrouw [verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster
tegen
mr. [X],
rechter in de sector handels- en familierecht van deze rechtbank te Utrecht.
De procedure
1.1. Bij brief van 8 april 2010 heeft verzoekster een verzoek tot wraking ingediend, gericht tegen meerdere (kinder)rechters van de rechtbank Utrecht, onder wie mr. [X]. De rechtbank gaat ervan uit dat verzoekster doelt op mr. [X].
1.2. Mr. [X] heeft niet in de wraking berust. Zij heeft op 22 april 2010 haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de griffier van de wrakingskamer van deze rechtbank doen toekomen.
1.3. Partijen zijn door de griffier van deze rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 26 april 2010.
1.4. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 26 april 2010 plaats gevonden. Verzoekster was ter zitting aanwezig. Tevens waren daarbij aanwezig de heer
A. Pijpker, gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg Utrecht, en mr. W. Koreman, officier van justitie. Mr. [X] heeft laten weten verhinderd te zijn om de zitting bij te wonen.
Feiten
2.1. Bij beschikking van 26 augustus 2008 heeft kinderrechter mr. E. Akkermans de
minderjarige zoon van verzoekster, [minderjarige], geboren [1993], onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht met ingang van
26 augustus 2008 tot 26 november 2008.
2.2. Bij beschikking van 25 november 2008 van de kinderrechter mr. M.A.A.T. Engbers
is de ondertoezichtstelling van de zoon van verzoekster met ingang van 26 november 2008 verlengd voor de duur van één jaar.
2.3. Bij beschikking van 9 juli 2009 heeft mr. [A] machtiging
verleend om de zoon van verzoekster te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met ingang van 9 juli 2009 tot 26 november 2009.
2.4. Op 15 september 2009 heeft advocaat mr. A.J. Kiela, namens verzoekster en haar
zoon, een verzoekschrift ingediend strekkende tot opheffing van de ondertoezichtstelling en intrekking van de machtiging uithuisplaatsing.
2.5. Op 26 oktober 2009 heeft de kinderrechter mr. [B] de zaak ter zitting
behandeld. Bij beschikking van 28 oktober 2009 heeft deze rechter besloten de beslissing op het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling en intrekking van de machtiging gesloten jeugdzorg aan te houden tot de behandeling op 17 november 2009.
2.6. Op 17 november 2009 heeft de kinderrechter mr. [C] de zaak
aangehouden en verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op
24 november 2009.
2.7. Bij beschikking van 24 november 2009 heeft de meervoudige kamer de verzoeken van verzoekster afgewezen. Bij beschikkingen van gelijke datum heeft de meervoudige kamer de termijn waarvoor de zoon onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht is gesteld verlengd met één jaar met ingang van 26 november 2009 en de machtiging om de zoon van verzoekster te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verlengd met ingang van 26 november 2009 tot 26 mei 2010.
Het verzoek
3.1. Het verzoek strekt onder meer tot wraking van mr. [X]. Volgens verzoekster heeft deze rechter eraan meegewerkt om de zitting, waar het verzoek ten aanzien van de opheffing ondertoezichtstelling van verzoeksters zoon en de beëindiging van de machtiging uithuisplaatsing aan de orde zouden komen, te vertragen en te verplaatsen naar de strafkamer. Volgens verzoekster zijn alle kinderrechters die betrokken zijn geweest bij de behandeling van haar verzoeken partijdig geweest. Zij verzoekt de OTS-zaak van haar zoon [minderjarige] over te dragen aan de rechtbank Amsterdam.
3.2. Mr. [X] heeft zich tegen het wrakingsverzoek verweerd door er onder meer op te wijzen dat zij op dit moment geen zaak behandelt waarin verzoekster belanghebbend is en dat niet zij, maar mr [A] de zaak die ter zitting van 26 oktober 2009 was geagendeerd, heeft voorbereid en op die zitting heeft behandeld.
De beoordeling
4.1. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van het onderhavige wrakingsverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv Pro en artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn/haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.
4.3. De wrakingskamer leest het wrakingsverzoek aldus dat verzoekster doelt op de zitting van 26 oktober 2009 waar aanvankelijk de verzoeken tot opheffing van de ondertoezichtstelling en beëindiging van de machtiging uithuisplaatsing door mr. [X] ter zitting zouden worden behandeld. Mr. [X] heeft de betreffende verzoeken echter niet kunnen behandelen, omdat zij die middag andere zaken op een andere zitting heeft moeten behandelen. De verzoeken zijn dan ook door een andere kinderrechter voorbereid en ter zitting behandeld.
4.4. Uit voornoemd artikel 36 Rv Pro blijkt dat een wrakingsverzoek slechts de rechter kan betreffen die de zaak van de betrokken partij behandelt. Uit de stukken is de wrakingskamer gebleken dat mr. [X] niet de behandelend kinderrechter is geweest in de zaken waar verzoekster bij betrokken is geweest. Wraking kan ook niet zien op de rechter als zodanig die deel uit maakt van het rechterlijke systeem. Dit brengt mee dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is.
De beslissing
De rechtbank:
5.1. verklaart het verzoek tot wraking van mr. [X] niet-ontvankelijk;
5.2. draagt de griffier op een afschrift van deze beslissing toe te zenden aan verzoekster,
mr. [X], de sectorvoorzitter van de sector handels- en familierecht van deze rechtbank en de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap, voorzitter, mr. P. Bender en mr. R.C. Stijnen, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010, in het bijzijn van de griffier mr. M.S.D. de Weerd.