ECLI:NL:RBUTR:2010:BM9254
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opleidingskosten advocatenstage niet toerekenbaar aan werkneemster wegens reeds aanwezige expertise
Een advocaat-stagiaire was in dienst bij een advocatenkantoor en volgde de beroepsopleiding advocatuur, waarvan de kosten door de werkgever werden voorgeschoten. Na opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkneemster vorderde de werkgever terugbetaling van deze opleidingskosten. De arbeidsovereenkomst bevatte een beding dat bij tussentijdse beëindiging door de werknemer de opleidingskosten volledig voor rekening van de werknemer komen.
De werkneemster stelde dat zij door de hoge werkdruk en slechte werkomstandigheden gedwongen was het dienstverband te beëindigen, en dat het onredelijk was haar de kosten op te leggen. De werkgever betwistte deze stellingen en stelde dat de werkdruk niet te hoog was en de begeleiding adequaat.
De kantonrechter oordeelde dat de werkneemster onvoldoende had onderbouwd dat zij door de werkgever was gedwongen het dienstverband te beëindigen. Wel was het, gelet op haar reeds aanwezige deskundigheid en het beperkte rechtsgebied waarin zij werkte, onaanvaardbaar om de opleidingskosten aan haar toe te rekenen. De kosten van de beroepsopleiding kwamen daarom voor rekening van de werkgever. De vordering tot terugbetaling werd afgewezen en de werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van opleidingskosten door de werkneemster is afgewezen omdat dit onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.