ECLI:NL:RBUTR:2010:BN0788
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontslagvergoeding op grond van sociaal plan bij min-max-contract
Werkneemster was in dienst op basis van een min-max-contract en maakte aanspraak op een ontslagvergoeding volgens het sociaal plan van Yves Rocher, berekend over het laatstgenoten bruto maandsalaris. Zij stelde dat de referteperiode voor het gemiddelde salaris de laatste 14 maanden van haar dienstverband moest omvatten, inclusief de laatste vijf maanden waarin zij vanwege het slinkende personeelsbestand aanzienlijk meer uren werkte.
Yves Rocher betwistte dit en stelde dat de referteperiode moest worden beperkt tot de 14 maanden voorafgaand aan augustus 2006, zodat de uitzonderlijke meeruren niet werden meegeteld. De kantonrechter overwoog dat het sociaal plan niet duidelijk was over de wijze van berekening bij wisselende arbeidsomvang en dat partijen in augustus 2006 een representatieve referteperiode van 14 maanden waren overeengekomen.
De rechtbank oordeelde dat de laatste vijf maanden van het dienstverband vanwege de bijzondere omstandigheden niet representatief waren en daarom buiten beschouwing moesten blijven. De vordering van de werkneemster werd afgewezen en zij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot een hogere ontslagvergoeding wordt afgewezen omdat de uitzonderlijke meeruren niet representatief zijn voor de referteperiode.