ECLI:NL:RBUTR:2010:BN1206

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
14 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
283680 / HA ZA 10-629
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvTiende afdeling van titel 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring wegens procedurele ongeschiktheid

In deze civiele procedure tussen een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en een rechtspersoon naar Engels recht heeft de gedaagde incidenteel gevorderd dat eiseres niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. De rechtbank oordeelt dat incidentele vorderingen beperkt zijn tot procedurele kwesties en niet kunnen leiden tot een inhoudelijke eindbeslissing in de hoofdzaak.

De rechtbank benadrukt dat de procedure van een incident een procedure binnen een procedure is, waarbij snelheid en voorlopigheid centraal staan. Uitgebreide standpuntuitwisseling en bewijslevering vinden in beginsel niet plaats, en het oordeel is niet bindend voor de rechter in de hoofdzaak. Bovendien stelt artikel 223 Rv Pro strenge voorwaarden aan incidentele vorderingen van materiële aard, die hier niet zijn vervuld.

De vordering tot niet-ontvankelijkverklaring, gebaseerd op het ontbreken van de hoedanigheid van de gedaagde als contractspartij, is een inhoudelijke beslissing die een definitief einde aan de hoofdzaak zou maken. Dit is onverenigbaar met het karakter van een incident. Daarom wijst de rechtbank de incidentele vordering af en veroordeelt de gedaagde in de proceskosten van het incident.

Uitkomst: De incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring wordt afgewezen en gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 283680 / HA ZA 10-629
Vonnis in incident van 14 juli 2010
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres]
gevestigd te [woonplaats],
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. P.H. van der Vleuten te Utrecht,
tegen
de rechtspersoon naar Engels recht
[gedaagde],
gevestigd te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. W.P. den Hertog te ‘s-Gravenhage.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. [gedaagde] vordert dat [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering wordt verklaard. [eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2. De regeling van incidentele vorderingen in de tiende afdeling van titel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is weliswaar geen gesloten systeem, maar dat betekent niet dat elke vordering bij wijze van incidentele vordering ingesteld kan worden. De grens van de mogelijkheid van het instellen van een incidentele vordering is daar gelegen waar de vordering niet meer een procedurele kwestie betreft (zoals bevoegdheid van de rechter, oproeping in vrijwaring of het overleggen van stukken), maar een kwestie van materiële aard die - bij toewijzing - leidt tot een eindbeslissing op inhoudelijke gronden op de vorderingen in de hoofdzaak.
2.3. Deze grens volgt uit de plaats van het incident in de hoofdzaak, namelijk als procedure binnen een procedure. Bij de beoordeling van de incidentele vordering vindt, vanwege de vereiste snelheid van de incidentele procedure, in beginsel geen uitgebreide uitwisseling van standpunten plaats, noch schriftelijk noch mondeling, en in beginsel evenmin bewijslevering. Het oordeel van de rechter over eventuele inhoudelijke aspecten in een incident dragen daarom ook een voorlopig karakter. De rechter in de hoofdzaak is aan dat oordeel niet gebonden.
2.4. Daarbij komt dat voor zover in afdeling 10 van titel 2 Rv een wettelijke regeling voor incidentele vorderingen van materiële aard is getroffen (artikel 223 Rv Pro), aan de inhoud daarvan stringente voorwaarden zijn verbonden, waaronder de voorwaarde dat er een voorziening gevraagd wordt die voor de duur van de hoofdzaak kan worden getroffen. Door deze bepaling wordt de voorlopige aard van een incidentele vordering ten opzichte van de hoofdzaak benadrukt. Het toestaan van incidentele vorderingen van materiële aard die niet aan voormelde voorwaarden voldoen, zou de regeling van artikel 223 Rv Pro doorkruisen en tot een dode letter maken.
2.5. De conclusie van het voorgaande is dat met het karakter van een incident en de plaats van een incident in de hoofdzaak zich niet verdraagt dat bij wijze van incident beslissingen van andere dan procedurele aard kunnen worden gevraagd waarmee een definitief einde aan de hoofdzaak wordt gemaakt.
2.6. Een vordering tot niet-ontvankelijkverklaring als de onderhavige, die is gebaseerd op het ontbreken van de hoedanigheid van de gedaagde partij als contractspartij, strekt ertoe om een definitieve en inhoudelijke beslissing op de vorderingen in de hoofdzaak te verkrijgen. Daartoe leent een incidentele procedure zich niet. Dat het uit proceseconomisch oogpunt wenselijk zou zijn om het instellen van dergelijke vorderingen bij wijze van incident toe te staan, zoals [gedaagde] stelt, kan in die conclusie geen verandering brengen. Op grond van het voorgaande dient de incidentele vordering dan ook te worden afgewezen.
2.7. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. wijst het gevorderde af,
3.2. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 452,00,
3.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 augustus 2010 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Verhoef en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2010.