ECLI:NL:RBUTR:2010:BN1206
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring wegens procedurele ongeschiktheid
In deze civiele procedure tussen een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en een rechtspersoon naar Engels recht heeft de gedaagde incidenteel gevorderd dat eiseres niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. De rechtbank oordeelt dat incidentele vorderingen beperkt zijn tot procedurele kwesties en niet kunnen leiden tot een inhoudelijke eindbeslissing in de hoofdzaak.
De rechtbank benadrukt dat de procedure van een incident een procedure binnen een procedure is, waarbij snelheid en voorlopigheid centraal staan. Uitgebreide standpuntuitwisseling en bewijslevering vinden in beginsel niet plaats, en het oordeel is niet bindend voor de rechter in de hoofdzaak. Bovendien stelt artikel 223 Rv Pro strenge voorwaarden aan incidentele vorderingen van materiële aard, die hier niet zijn vervuld.
De vordering tot niet-ontvankelijkverklaring, gebaseerd op het ontbreken van de hoedanigheid van de gedaagde als contractspartij, is een inhoudelijke beslissing die een definitief einde aan de hoofdzaak zou maken. Dit is onverenigbaar met het karakter van een incident. Daarom wijst de rechtbank de incidentele vordering af en veroordeelt de gedaagde in de proceskosten van het incident.
Uitkomst: De incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring wordt afgewezen en gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.