ECLI:NL:RBUTR:2010:BN1674
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aandeelhouders niet aansprakelijk als medehuurders na faillissement B.V.
De zaak betreft een geschil tussen verhuurder DHV B.V. en vier aandeelhouders van Smith Northon International B.V. (SNI) die als medehuurders een huurovereenkomst voor kantoorruimte hadden ondertekend. Na het faillissement van SNI vorderde DHV betaling van de huurschuld van de aandeelhouders als hoofdelijk aansprakelijke medehuurders.
De aandeelhouders voerden aan dat zij niet de wil hadden gehad zich als medehuurders te verbinden en dat DHV er niet op mocht vertrouwen dat zij dit wilden, op grond van artikel 3:35 BW Pro. De rechtbank stelde vast dat tijdens de onderhandelingen over de nieuwe huurovereenkomst niet met de aandeelhouders privé was gesproken over medehuurderschap of hoofdelijke aansprakelijkheid. Ook was het niet gebruikelijk dat aandeelhouders persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.
De rechtbank oordeelde dat het medehuurderschap niet tot stand was gekomen wegens het ontbreken van een daaraan ten grondslag liggende wil van de aandeelhouders. DHV had zich ervan moeten vergewissen dat de aandeelhouders begrepen dat zij zich als hoofdelijk aansprakelijke medehuurders verbonden. De vorderingen van DHV werden afgewezen en DHV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van DHV tot hoofdelijke aansprakelijkheid van de aandeelhouders wordt afgewezen wegens ontbreken van hun wil tot medehuurderschap.