ECLI:NL:RBUTR:2010:BN2963
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid inlener voor arbeidsongeval en tekortschieten assurantietussenpersoon
Op 23 april 2007 heeft een ernstig arbeidsongeval plaatsgevonden waarbij werknemer [C] van [eiseres sub 2] viel van het dak van een in aanbouw zijnd bedrijfspand. De veiligheidsnetten waren kort daarvoor verwijderd door een door de inlener ingeschakelde aannemer. De werknemer liep zwaar letsel op. De formele werkgever [eiseres sub 2] erkende aansprakelijkheid en Delta Lloyd regelde de schade via een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering.
Delta Lloyd en [eiseres sub 2] vorderden dat de inlener ([gedaagde sub 1]) aansprakelijk en draagplichtig werd gesteld voor de schade van [C]. De inlener betwistte dit en voerde onder meer aan dat hij geen werkgever was in de zin van artikel 7:658 BW Pro, dat er geen gezagsverhouding bestond, en dat de werknemer bewust roekeloos had gehandeld. Tevens stelde hij dat hij niet verzekerd was voor aansprakelijkheid en dat de assurantietussenpersoon ([A]) tekort was geschoten door geen adequate aansprakelijkheidsverzekering te regelen.
De rechtbank oordeelde dat de inlener wel degelijk aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 lid 4 BW Pro, omdat sprake was van inlening en hij de zorgplicht had voor de veiligheidsmaatregelen. Het beroep op bewuste roekeloosheid van de werknemer werd verworpen omdat niet was gebleken dat de werknemer zich bewust was van het roekeloze karakter van zijn handelen. De inlener was aansprakelijk voor het ontbreken van veiligheidsnetten, ook al waren deze door een hulppersoon verwijderd.
Ten aanzien van de assurantietussenpersoon oordeelde de rechtbank dat deze niet de zorgvuldigheid had betracht die van een redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het aanvraagformulier riep vragen op die niet zijn nagevraagd, en er had geadviseerd moeten worden over het ontbreken van aansprakelijkheidsdekking. Het beroep op eigen schuld van de inlener werd verworpen. De vrijwaringsvordering tegen de assurantietussenpersoon werd toegewezen met een verrekening van de premie die de inlener had moeten betalen.
De rechtbank veroordeelde de inlener tot betaling van de schade aan [C] en de toekomstige schade van [eiseres sub 2], en de assurantietussenpersoon tot vergoeding van de door de inlener geleden schade, met proceskostenveroordelingen aan beide zijden.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de inlener tot aansprakelijkheid voor het arbeidsongeval en de assurantietussenpersoon tot vergoeding van de schade wegens tekortschieten in de verzekeringsdekking.