ECLI:NL:RBUTR:2010:BN3511
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot tenuitvoerlegging teruggeleiding minderjarige naar Guatemala
De vader vorderde in kort geding dat de Staat de beschikking tot teruggeleiding van zijn minderjarige dochter naar Guatemala zou ten uitvoer leggen. Deze beschikking was eerder door de rechtbank en het gerechtshof bekrachtigd. De moeder had de dochter zonder toestemming van de vader naar Nederland en Duitsland gebracht, waarna de vader de teruggeleiding vorderde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de teruggeleiding reeds had plaatsgevonden op 8 maart 2010, toen de moeder met de dochter naar Guatemala was teruggekeerd. De Staat had dit gemotiveerd weersproken, maar de rechter achtte het verblijf van de dochter in Guatemala en haar schoolbezoek daar voldoende bewijs.
De rechter stelde dat geschillen over de afspraken tussen ouders over de verblijfplaats en omgang van de dochter in een bodemprocedure in Guatemala moeten worden behandeld. De kortgedingprocedure en het opleggen van medewerking van het Openbaar Ministerie aan teruggeleiding boden geen structurele oplossing.
Daarom werd de vordering afgewezen en werden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De rechter benadrukte dat de vader niet onrechtmatig had gehandeld door de procedure te starten.
Uitkomst: De vordering tot tenuitvoerlegging van de teruggeleiding wordt afgewezen omdat deze reeds heeft plaatsgevonden.