ECLI:NL:RBUTR:2010:BN3949
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Schorsende werking van hoger beroep tegen beschikking tot ontruiming bedrijfsruimte
In deze zaak staat centraal of het hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter Utrecht van 10 mei 2010 schorsende werking heeft. De beschikking betrof de beëindiging van een huurovereenkomst en de vaststelling van een ontruimingstermijn voor een bedrijfsruimte.
De kantonrechter had geoordeeld dat de huurovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd en dat de huurder geen aanspraak kon maken op een verlengingsoptie. Tevens wees hij het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn af en stelde hij het tijdstip van ontruiming vast op 11 augustus 2010. Deze beschikking was niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De huurder stelde hoger beroep in tegen deze beschikking, maar een deel van de beschikking was volgens artikel 7:230a lid 8 BW onherroepelijk. De vraag was of het hoger beroep toch schorsende werking had. De voorzieningenrechter oordeelde dat de beslissingen waarvoor geen rechtsmiddelenverbod geldt onlosmakelijk verbonden zijn met de beslissingen waarvoor dat wel geldt. Hierdoor moet het hoger beroep in zijn geheel schorsende werking krijgen. De gerechtsdeurwaarder hoefde de ontruiming daarom niet door te zetten.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de beschikking tot ontruiming heeft schorsende werking, waardoor de ontruiming niet kan worden uitgevoerd.