Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN3949

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
13 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
291893 / KG ZA 10-726
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 360 lid 1 RvArt. 438 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsende werking van hoger beroep tegen beschikking tot ontruiming bedrijfsruimte

In deze zaak staat centraal of het hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter Utrecht van 10 mei 2010 schorsende werking heeft. De beschikking betrof de beëindiging van een huurovereenkomst en de vaststelling van een ontruimingstermijn voor een bedrijfsruimte.

De kantonrechter had geoordeeld dat de huurovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd en dat de huurder geen aanspraak kon maken op een verlengingsoptie. Tevens wees hij het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn af en stelde hij het tijdstip van ontruiming vast op 11 augustus 2010. Deze beschikking was niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De huurder stelde hoger beroep in tegen deze beschikking, maar een deel van de beschikking was volgens artikel 7:230a lid 8 BW onherroepelijk. De vraag was of het hoger beroep toch schorsende werking had. De voorzieningenrechter oordeelde dat de beslissingen waarvoor geen rechtsmiddelenverbod geldt onlosmakelijk verbonden zijn met de beslissingen waarvoor dat wel geldt. Hierdoor moet het hoger beroep in zijn geheel schorsende werking krijgen. De gerechtsdeurwaarder hoefde de ontruiming daarom niet door te zetten.

De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de beschikking tot ontruiming heeft schorsende werking, waardoor de ontruiming niet kan worden uitgevoerd.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 291893 / KG ZA 10-726
Vonnis in kort geding van 13 augustus 2010
in de door:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR DE MAN & PARTNERS B.V.
hierna te noemen: “Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners”,
kantoorhoudende te Veenendaal,
op grond van artikel 438 lid 4 Rv Pro aanhangig gemaakte zaak:
tussen
[verhuurster],
hierna te noemen: “[verhuurster]”,
wonende te [woonp[plaats],
advocaat: mr. G.C.L. van de Corput,
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[huurder],
hierna te noemen: “[huurder]”
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],
advocaten: mr. C.L. Berkel en mr. G.F. Hovestad.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners genaamd
“deurwaardersrenvooi op grond van artikel 438 lid 4 Rv Pro” met daaraan gehecht de volgende
stukken:
* een beschikking van de kantonrechter te Utrecht van 10 mei 2010 gewezen in de zaak
tussen [huurder] en [verhuurster],
* een deurwaardersexploot van 20 juli 2010,
* een brief van 9 augustus 2010 van de advocaat van [huurder],
mr. C.L. Berkel,
* een afschrift van het beroepschrift van [huurder],
- het door Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners aan [verhuurster] op
10 augustus 2010 betekende oproepingsexploot met daaraan gehecht een afschrift van het
proces-verbaal van Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners genaamd
“deurwaardersrenvooi op grond van artikel 438 lid 4 Rv Pro” en de daaraan gehechte stukken
zoals hiervoor omschreven,
- het door Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners aan [huurder]
op 10 augustus 2010 betekende oproepingsexploot met daaraan gehecht een afschrift van
het proces-verbaal van Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners genaamd
“deurwaardersrenvooi op grond van artikel 438 lid 4 Rv Pro” en de daaraan gehechte stukken
zoals hiervoor omschreven,
- het door Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners aan de advocaat van
[huurder], mr. C.L. Berkel, op 10 augustus 2010 betekende
oproepingsexploot met daaraan gehecht een afschrift van het proces-verbaal van
Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners genaamd “deurwaardersrenvooi op
grond van artikel 438 lid 4 Rv Pro” en de daaraan gehechte stukken zoals hiervoor
omschreven,
- de mondelinge behandeling van 11 augustus 2010,
- de pleitnota van [verhuurster].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [huurder] heeft het terrein met kantoor en bedrijfshal staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] en het terrein met kantoor en bedrijfshal, uitgezonderd het kantoor, gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna aan te duiden als: “de bedrijfsruimte”) van [verhuurster] gehuurd.
2.2. [huurder] heeft in verband met de opzegging van de huur van de bedrijfsruimte door [verhuurster] op grond van artikel 7:230a BW een voorwaardelijk verzoekschrift bij de kantonrechter te Amersfoort (hierna te noemen: “de kantonrechter”) ingediend waarin zij, onder de voorwaarde dat komt vast te staan dat de huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte is geëindigd dan wel dat zij geen aanspraak kan maken op de in de huurovereenkomst opgenomen verlengingsoptie, verzoekt om verlenging van de ontruimingstermijn.
2.3. Bij beschikking van 10 mei 2010 heeft de kantonrechter, na te hebben geoordeeld dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd en dat het beroep op de in de huurovereenkomst opgenomen verlengingsoptie niet opgaat, het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn afgewezen en het tijdstip van ontruiming van de bedrijfsruimte vastgesteld op 11 augustus 2010.
Deze beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4. Op 13 juli 2010 heeft Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners van
(de advocaat) [verhuurster] de opdracht gekregen om de beschikking van de kantonrechter te Amersfoort van 10 mei 2010 ten uitvoer te leggen.
2.5. Bij deurwaardersexploot van 20 juli 2010 heeft Gerechtsdeurwaarderskantoor
De Man & Partners de beschikking van de kantonrechter van 10 mei 2010 aan
[huurder] betekend en [huurder] aangezegd om uiterlijk op
11 augustus 2010 om 10.00 uur de bedrijfsruimte te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [verhuurster] te stellen.
2.6. [huurder] heeft op 6 augustus 2010 bij het gerechtshof Amsterdam, locatie Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter te Amersfoort van 10 mei 2010. Op dit hoger beroep is nog niet beslist.
2.7. Bij brief van 9 augustus 2010 heeft de advocaat van [huurder],
mr. C.L. Berkel, aan Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners verzocht om de ontruiming geen doorgang te laten vinden, omdat – zakelijk weergegeven – [verhuurster] hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter Utrecht van
10 mei 2010 en dit hoger beroep schorsende werking heeft.
3. Het geschil en de beoordeling
3.1. Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners wil op 11 augustus 2010 vanaf 10.00 uur in opdracht van [verhuurster] de bedrijfsruimte gerechtelijk ontruimen. Bij haar zijn echter in verband met de tenuitvoerlegging van deze gerechtelijke ontruiming de volgende vragen gerezen:
1. heeft het instellen van hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van
10 mei 2010 schorsende werking?
en indien dit niet het geval is:
2. dient de gerechtelijke ontruiming op grond van de beschikking van de kantonrechter van
10 mei 2010 in één dag te worden afgerond?
3. kan de gerechtsdeurwaarder bij de gerechtelijke ontruiming van de bedrijfsruimte de
grote hoeveelheid schroot en oud ijzer op het terrein laten liggen en overgaan tot het
plaatsen van een nieuw slot?
Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners wil van de voorzieningenrechter door middel van het aanhangig maken van dit kort geding een antwoord op deze vragen verkrijgen.
3.2. Met betrekking tot de eerste vraag wordt geoordeeld dat het instellen van hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 10 mei 2010 schorsende werking heeft. Dit wordt als volgt gemotiveerd.
3.3. Uit het door Gerechtsdeurwaarderskantoor De Man & Partners in het geding gebrachte beroepschrift en hetgeen [huurder] ter zitting heeft opgemerkt, volgt dat het door [huurder] ingestelde hoger beroep zich – kort gezegd – richt tegen de beslissing van de kantonrechter dat:
a) de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,
b) [huurder] geen aanspraak kan maken op de in de huurovereenkomst
neergelegde verlengingsoptie,
c) er geen grond is voor toewijzing van het (voorwaardelijk) verzoek van
[huurder] tot verlenging van de ontruimingstermijn,
d) de ontruimingstermijn wordt vastgesteld op 11 augustus 2010.
3.4. Als uitgangspunt geldt dat hoger beroep de werking van de beschikking schorst, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (zie artikel 360 lid 1 Rv Pro).
3.5. De beschikking van de kantonrechter van 10 mei 2010 is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard zodat, met inachtneming van bovengenoemd uitgangspunt, het tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep de werking van de beschikking schorst.
3.6. In dit geval geldt echter dat tegen de beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek van [huurder] tot verlenging van de ontruimingstermijn en tot vaststelling van de ontruimingstermijn geen hoger beroep kan worden ingesteld. Dat dit het geval is volgt uit artikel 7:230a lid 8 BW.
Aan de orde is dan ook de vraag of dit meebrengt dat een uitzondering moet worden gemaakt op het hiervoor genoemde uitgangspunt dat het instellen van hoger beroep de werking van de beschikking schorst, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Geoordeeld wordt dat dit in deze zaak niet het geval is. Daartoe is het volgende redengevend.
3.6.1. In de beschikking van 10 mei 2010 zijn door de kantonrechter ook twee beslissingen genomen waarvoor geen rechtsmiddelenverbod geldt. Het gaat daarbij om
de beslissing dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd en dat
[huurder] geen aanspraak kan maken op de in de huurovereenkomst neergelegde verlengingsoptie. Uit wat hiervoor in punt 3.3. is overwogen, volgt dat
[huurder] ook deze beslissingen in het door haar ingestelde hoger beroep aanvecht.
3.6.2. De beslissingen van de kantonrechter waarvoor het rechtsmiddelenverbod geldt
– te weten de beslissing betreffende het (voorwaardelijk) verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn en tot het vaststellen van de ontruimingstermijn – zijn onlosmakelijk verbonden met de twee hiervoor in punt 3.6.1. genoemde beslissingen waarvoor geen rechtsmiddelenverbod geldt en waarop de normale regels van hoger beroep van toepassing zijn. Aan een beslissing over de verlenging en vaststelling van de ontruimingstermijn
ex artikel 7:230a BW wordt immers pas toegekomen indien vaststaat dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd en op de verlengingsoptie geen succesvol beroep kan worden gedaan. In dit geval kan het hoger beroep dan ook meebrengen dat geoordeeld wordt dat door de kantonrechter ten onrechte toepassing is gegeven aan
artikel 7:230a BW, op grond waarvan met doorbreking van het rechtsmiddelenverbod deze toepassing door het hof kan worden vernietigd.
Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat in dit geval aan het hoger beroep ten aanzien van de gehele beschikking schorsende werking moet worden toegekend.
3.7. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de in punt 3.1. onder 2 en 3 genoemde vragen onbesproken kunnen blijven.
3.8. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1. verstaat dat het door [huurder] ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 10 mei 2010 schorsende werking heeft,
4.2. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Bongers, voorzieningenrechter, in samenwerking met
mr. B.H. van der Graaf, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2010.?