ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5787
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling sterfdatum en nalatenschapsverdeling na overlijden en echtscheiding
De zaak betreft een geschil over de vaststelling van de sterfdatum van [C] en de verdeling van haar nalatenschap. [C] werd in 2001 als vermist opgegeven en haar stoffelijk overschot werd pas in 2005 gevonden. De vraag was of [gedaagde], haar echtgenoot, op het moment van overlijden nog met haar was gehuwd, wat bepalend is voor zijn erfgenaamschap.
De rechtbank overweegt dat de overlijdensakte alleen bewijs levert voor de datum van lijkvinding in 2005, niet voor de sterfdatum zelf. Op basis van verklaringen, het stopzetten van geldopnames in januari 2001 en het feit dat de familie [C] sinds die tijd niet meer heeft gezien, wordt geconcludeerd dat [C] in 2001 is overleden. Hierdoor was het huwelijk nog niet ontbonden en is [gedaagde] erfgenaam volgens het testament.
Verder is onderzocht of [gedaagde] onwaardig is om te erven vanwege zijn betrokkenheid bij de dood van [C] en het verbergen van haar lijk. De rechtbank oordeelt dat hoewel zijn handelen egoïstisch was jegens de nabestaanden, dit niet onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel om hem als erfgenaam toe te laten. De nalatenschap wordt vastgesteld en verdeeld conform het testament, waarbij [gedaagde] verplicht is medewerking te verlenen aan de waardering van de goederen. Een gevorderd voorschot wordt afgewezen omdat de vordering pas opeisbaar is na zijn overlijden.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] erfgenaam is en niet onwaardig om te erven, en draagt op tot medewerking aan de waardering van de nalatenschap.