ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5809
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht en bewijs van het bestaan van een overeenkomst met betwiste handtekening
In deze civiele procedure stond centraal de vraag of een handtekening op een document authentiek was en daarmee het bestaan van een overeenkomst kon worden bewezen. De rechtbank benoemde een deskundige die concludeerde dat de handtekening niet als echt kon worden aangemerkt en dat een onderzoek naar het handschrift van gedaagde niet mogelijk was vanwege diens weigering tot medewerking.
Eiser stelde dat de weigering van gedaagde om mee te werken aan het handschriftonderzoek reden was om de bewijslast om te keren, maar de rechtbank verwierp dit standpunt. De deskundige kon immers ook bij medewerking niet met voldoende waarschijnlijkheid vaststellen dat de handtekening van gedaagde was.
De rechtbank bepaalde dat het document geen dwingend bewijs oplevert en dat eiser het bestaan van de overeenkomst op andere wijze moet bewijzen. Hiertoe werd eiser opgedragen getuigen te laten horen of ander bewijs te leveren. De procedure werd aangehouden voor verdere beslissingen.
De rechtbank gaf tevens praktische aanwijzingen over het verloop van het getuigenverhoor en de termijn voor het aanleveren van bewijsstukken.
Uitkomst: Eiser is niet geslaagd in het bewijzen van de authenticiteit van de handtekening en moet het bestaan van de overeenkomst op andere wijze bewijzen.