ECLI:NL:RBUTR:2010:BN8486
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot indeplaatsstelling huurovereenkomst tankstation wegens te late indiening
De zaak betreft een vordering van een besloten vennootschap tot indeplaatsstelling van een huurovereenkomst van een tankstation. De onderneming is overgedragen in december 2007, maar de vordering werd pas in juli 2008 ingesteld. De rechtbank stelt vast dat de overname feitelijk in december 2007 heeft plaatsgevonden, ondersteund door diverse stukken zoals brieven, facturen en rekeningafschriften.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering te laat is ingesteld, aangezien er ruim een half jaar tussen de overdracht en de dagvaarding zit. Verder heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er vanaf de overname tot aan de dagvaarding gesprekken over indeplaatsstelling hebben plaatsgevonden. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid faalt, mede omdat eiser niet tijdig openheid van zaken heeft gegeven.
Daarnaast is onvoldoende duidelijk welke vennootschap de nieuwe huurster is, ondanks dat eiser een jaarrekening en correspondentie heeft overgelegd. Dit gebrek aan duidelijkheid leidt tot afwijzing van de vordering. In reconventie wordt de subsidiaire vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst eveneens afgewezen. Beide partijen worden veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot indeplaatsstelling van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens te late indiening en onvoldoende duidelijkheid over de nieuwe huurster.