ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1390
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- I.M. Vanwersch
- Rechtspraak.nl
Voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsrelatie en onterecht ontslag op staande voet
Eiser is sinds 1998 in dienst van de onderneming van gedaagde, die in 2009 de onderneming heeft overgenomen. In 2010 ontstonden meerdere incidenten rondom kasverschillen en het niet naleven van huisregels, waaronder het niet correct opbergen van kassageld en weigering gebruik te maken van handhelds voor kassaregistratie.
Op 6 juli 2010 heeft de directeur van gedaagde aan eiser medegedeeld dat hij het dienstverband wilde beëindigen en dat eiser niet meer op het werk hoefde te verschijnen. Tijdens dat gesprek werd een vaststellingsovereenkomst aangeboden, maar eiser stemde niet in met beëindiging. Gedaagde stelde later dat het ontslag op staande voet op die dag is gegeven, maar de kantonrechter acht dit niet aannemelijk omdat het ontslag niet onverwijld is gegeven en er meerdere gesprekken volgden.
De kantonrechter concludeert dat het ontslag op staande voet onvoldoende aannemelijk is en dat eiser recht heeft op doorbetaling van loon vanaf 6 juli 2010 tot het einde van het dienstverband. De vordering tot wedertewerkstelling wordt afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk is ontbonden per 1 november 2010. Buitengerechtelijke incassokosten worden niet toegewezen omdat niet is gesteld dat deze zijn gemaakt buiten de rechtsbijstand.
Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging en rente, alsmede proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden per 1 november 2010; gedaagde moet achterstallig loon en proceskosten betalen; vordering tot wedertewerkstelling afgewezen.