ECLI:NL:RBUTR:2010:BO5052

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
24 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/601270-09 [P]
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van diefstal wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Utrecht behandelde op 24 november 2010 de strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van diefstal van een tas met daarin onder meer €30.000,00. De officier van justitie baseerde zich op aangifte, getuigenverklaringen en camerabeelden om de schuld van verdachte te onderbouwen.

De verdediging betoogde dat de verklaringen van getuigen onvoldoende waren en dat de camerabeelden alleen lieten zien dat verdachte zich op de plaats delict bevond, wat onvoldoende bewijs is voor diefstal. De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was om verdachte te veroordelen.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde feit. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van €30.680,00 niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van diefstal wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16/601270-09 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 november 2010
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [1971] te [geboorteplaats]
wonende te [woonplaats]
thans gedetineerd in de P.I.V. HvB Nieuwersluis, locatie Nieuwersluis
raadsman mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 november 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een tas met daarin onder meer € 30.000,00 heeft gestolen.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 1], de verklaring van getuige [getuige 2] en de door de politie uitgekeken camerabeelden.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij -kort en zakelijk weergegeven- op het volgende. De verdediging heeft getuige [getuige 1] niet kunnen horen. De bewezenverklaring moet dan in belangrijke mate steun vinden in andersoortig bewijsmateriaal.
Dit materiaal is echter niet voorhanden omdat de verklaring van getuige [getuige 2] niet redengevend is voor de bewezenverklaring en de camerabeelden niets meer zeggen dan dat verdachte zich op de plaats delict bevond.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel, evenals de verdediging, dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en zal haar dan ook van dit feit vrijspreken.
5 De benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] vordert € 30.680,00 aan schade.
5.1 Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.
5.2 Het standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.3 Het oordeel van de rechtbank
Nu verdachte voor ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
6 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.F.R. Storij, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 november 2010.