ECLI:NL:RBUTR:2010:BO9289
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen tot verhaal onderbedeling op mede-erfgenaam bij ontoereikende nalatenschap
De vier kinderen van de overledene [E] zijn betrokken bij een geschil over de verdeling van de nalatenschap en vorderingen uit onderbedeling. [E] overleed in 2007, en zijn nalatenschap bleek negatief te zijn. Eén kind, [D], heeft de nalatenschap zuiver aanvaard, terwijl de andere drie kinderen beneficiair aanvaardden. De eisers vorderen betaling van hun wettelijke erfdelen vermeerderd met rente en kosten, stellende dat de nalatenschap ontoereikend is en dat zij verhaal kunnen zoeken op het eigen vermogen van [D].
De rechtbank stelt dat het onaanvaardbaar is dat de eisers hun vorderingen direct op het eigen vermogen van [D] verhalen zonder eerst verhaal te zoeken op de onverdeelde nalatenschap. Artikel 4:184 lid 2 BW Pro verplicht een zuiver aanvaardend erfgenaam om schulden van de nalatenschap uit eigen vermogen te voldoen, maar dit betreft een verhouding tussen schuldeisers en erfgenaam, niet tussen mede-erfgenamen. De omvang van de nalatenschap en de omvang van de vorderingen zijn betwist, en de rechtbank laat de vraag of de vorderingen uit onderbedeling al dan niet zijn afgelost door betalingen van [E] aan zijn kinderen in het midden.
De rechtbank wijst de vorderingen af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De voorwaardelijke reconventionele vordering behoeft geen beoordeling omdat de hoofdvordering wordt afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en bepaalt dat eerst verhaal moet worden gezocht op de onverdeelde nalatenschap.