ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ2510
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg voorwaarden financieringsovereenkomst en boete bij vervroegde aflossing bij verkoop onroerende zaak
In deze civiele zaak stond de uitleg van de voorwaarden van een financieringsovereenkomst centraal, waarbij eiser sub 1 en Chojnik Beheer B.V. een vordering hadden ingesteld tegen FGH Bank. De kern van het geschil betrof de vraag of een boete wegens vervroegde aflossing verschuldigd was bij de verkoop van een onroerende zaak waarop een hypotheek rustte.
De rechtbank stelde vast dat de voorwaarden die FGH Bank hanteerde niet duidelijk definieerden wat onder 'vervroegde aflossing' en 'verplichte aflossing' viel. Er was een impliciete tegenstelling tussen verplichte en vrijwillige aflossingen, waarbij de bank stelde dat verkoop een vrijwillige aflossing betrof. De rechtbank oordeelde echter dat ook de uitleg van eisers verdedigbaar was, namelijk dat bij verkoop sprake is van een verplichte aflossing waarop geen boete van toepassing is.
Verder werd geoordeeld dat FGH Bank zich niet op de boetebepaling kon beroepen en dat de aanspraak op het bedrag van € 55.049,55 onrechtmatig was jegens Chojnik, die daardoor schade had geleden. De rechtbank schatte de schade op € 45.000,- en veroordeelde FGH Bank tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast werden proceskosten toegewezen aan Chojnik en werd het meer of anders gevorderde afgewezen.
Uitkomst: FGH Bank is veroordeeld tot betaling van € 45.000,- schadevergoeding aan Chojnik wegens onrechtmatige aanspraak op boete bij vervroegde aflossing.