ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ3047
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.M. Janssens-Kleijn
- J.W. Veenendaal
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde en proceskostenvergoeding na bezwaar tegen aanslag onroerendezaakbelasting
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan de waardepeildatum 1 januari 2008, welke aanvankelijk was vastgesteld op € 268.000 en na bezwaar was verlaagd naar € 220.000. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de waarde tot stand is gekomen, met name door het gebruik van niet-vergelijkbare referentiewoningen en het ontbreken van een gedegen waardering van verschillen in type, ligging en bouwjaar.
Eiser heeft een alternatieve waardering voorgesteld, maar ook deze kon niet volledig worden gevolgd vanwege onduidelijkheden en onvoldoende onderbouwing. De rechtbank stelt daarom zelf de WOZ-waarde vast op € 200.000 voor het belastingjaar 2009.
Daarnaast is de proceskostenvergoeding aan eiser herzien. Verweerder had een lagere vergoeding toegekend, onder meer door een vermindering van het punt voor het bijwonen van de hoorzitting. De rechtbank oordeelt dat dit onterecht is en kent een volledige vergoeding toe, inclusief kosten voor het taxatierapport en de aanwezigheid van de taxateur bij de hoorzitting, met een totaalbedrag van € 661,10 voor de bezwaarfase en € 874,- voor de beroepsfase.
De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak op bezwaar, verlaagt de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig, en veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op € 200.000 en verweerder wordt veroordeeld tot volledige proceskostenvergoeding.