ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ3316

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
4 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
SBR 10-3709
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 WoningwetArt. 44 WoningwetArt. 56a WoningwetArt. 12 WoningwetArt. 1.2 Invoeringswet Wabo
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bouwvergunning eerste fase voor bijzonder woongebouw met opvang jonge moeders

Verweerder heeft aan Stichting Timon een bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van een appartementengebouw bestemd voor opvang en begeleiding van jonge moeders en huisvesting van omwoners met een sociale rol. Eisers maakten bezwaar tegen de vergunning vanwege vermeende strijd met het bestemmingsplan, de hoogte van het gebouw en het aantal parkeerplaatsen.

De rechtbank oordeelt dat het bouwplan past binnen de bestemming 'Woondoeleinden', aangezien de appartementen zelfstandige woonruimtes zijn en de gezamenlijke activiteiten een zekere verbondenheid creëren. De hoogte van het gebouw is toegestaan omdat het bestemmingsplan een maximale goothoogte van zes meter kent, maar geen maximale nokhoogte, en de welstandscommissie het plan positief heeft beoordeeld zonder gebreken.

Ten aanzien van de parkeernorm is geoordeeld dat de gehanteerde norm van 0,3 parkeerplaatsen per appartement passend is gezien de doelgroep en de landelijke richtlijnen. Omdat geen van de limitatieve weigeringsgronden uit de Woningwet van toepassing is, was verweerder verplicht de vergunning te verlenen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de bouwvergunning eerste fase wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 10/3709
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser sub 1] en [eiser sub 2], beiden wonende te [woonplaats], eisers,
gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder,
gemachtigden: mr. G.J. Bosch en E.L. Wis, beiden werkzaam bij de gemeente Houten.
Inleiding
1.1 Bij besluit van 4 maart 2010 heeft verweerder aan Stichting Timon (hierna: vergunninghouder) een bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een bijzonder woongebouw op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel). Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2 Bij besluit van 22 september 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.
1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van 9 februari 2011, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde voornoemd, vergezeld van [A], wonende op het [adres] te [woonplaats]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigden voornoemd. Namens vergunninghouder is drs. J.J.A. Olij-Haak ter zitting verschenen. Eisers, verweerder en vergunninghouder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.
Overwegingen
2.1 Op 15 december 2009 heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag om een bouwvergunning eerste fase ingediend voor het oprichten van een bijzonder woongebouw op het perceel. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een appartementengebouw ten behoeve van opvang en begeleiding van jonge moeders en huisvesting voor zogenaamde omwoners die een sociale rol vervullen voor de jonge moeders. In het gebouw worden op de begane grond vier gezinswoningen voor de omwoners en op de eerste en tweede verdieping dertien appartementen voor de jonge moeders gerealiseerd. Ook beschikt het gebouw over een gemeenschappelijke woonkamer/ontmoetingsruimte die aan de achterzijde van het gebouw op de tweede verdieping is gelegen. De commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland heeft op 25 februari 2010 geoordeeld dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Bij besluit van 4 maart 2010 heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend. Het door eisers tegen dat besluit ingediende bezwaar is bij het thans bestreden besluit van 22 september 2010 ongegrond verklaard.
2.2 De rechtbank merkt op dat op 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking is getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat die wetswijzigingen niet van toepassing zijn in dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij de invoering van de Wabo werden gewijzigd.
Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is voor het realiseren van onderhavig bouwplan een bouwvergunning vereist.
Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet bepaalt wanneer een bouwvergunning moet worden geweigerd. Dit is onder meer het geval wanneer het bouwplan in strijd is met de bouwverordening (onderdeel b), het bestemmingsplan (onderdeel c) en met de redelijke eisen van welstand (onderdeel d). Doen zich geen van de in dit artikel genoemde weigeringsgronden voor, dan moet de vergunning worden verleend.
2.3 Een reguliere bouwvergunning wordt op aanvraag in twee fasen verleend. Dit is geregeld in artikel 56a, eerste lid, van de Woningwet. Dit artikel bepaalt in het tweede lid
- voor zover thans van belang - dat de bouwvergunning eerste fase slechts mag en dan ook moet worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan, de redelijke eisen van welstand en de bouwverordening, voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.
2.4 Het ter plaatse geldende uitwerkingsplan “Hofstad I en II” is een uitwerking van het globaal bestemmingsplan “Houten Vinex der gemeente Houten”. Het uitwerkingsplan is op 26 oktober 2004 vastgesteld door de raad van de gemeente Houten en op 16 november 2004 goedgekeurd door gedeputeerde staten van de provincie Utrecht.
2.5 Zoals blijkt uit de plankaart rust op het perceel de bestemming “Woondoeleinden”.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de bijbehorende planvoorschriften zijn de gronden die volgens de plankaart zijn bestemd voor “Woondoeleinden (W)” onder meer bedoeld voor “wonen”.
Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel mogen binnen deze bestemming uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de in het eerste lid genoemde doeleinden, met dien verstande dat de maximaal toelaatbare goothoogte van woningen de goothoogte bedraagt zoals deze is aangegeven op de plankaart. Voor dit perceel is dat zes meter.
2.6 Eisers hebben zich primair op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet past binnen de geldende bestemming “Woondoeleinden”. De voorgestelde woonvorm wordt volgens eisers normaliter gebezigd op percelen met de bestemming “Maatschappelijke doeleinden” / “Bijzondere doeneinden”. Verweerder had dan ook een andere procedure moeten doorlopen, aldus eisers. De rechtbank stelt vast dat eisers met deze beroepsgroep doelen op de doelgroep waarvoor het bouwplan wordt opgericht. Het bouwplan is bedoeld voor de opvang en het begeleiden van dertien jonge (tiener)moeders en hun baby’s en het huisvesten van vier gezinnen, die een rol vervullen als zogenoemde ‘omwoners’.
Ter zitting hebben eisers ter ondersteuning van hun standpunt de stelling ingenomen dat er permanent een portier in het appartementengebouw verblijft. Verweerder heeft dit weersproken en toegelicht dat de ruimte op de begane grond (kamer met drie werkplekken, slaapkamer en sanitaire ruimte) bedoeld is voor noodgevallen. Bijvoorbeeld voor de gevallen dat er onrust is of als er een meisje zonder eigen sociaal netwerk voorafgaand aan de bevalling in het gebouw verblijft; rond het moment dat zij moet gaan bevallen, kan er iemand in de bedoelde ruimte blijven slapen. De ruimte zal naar verwachting het meest worden gebruikt als spreekkamer door een begeleider die iets met een van de jonge moeders wil bespreken. In principe zijn de bewoners van de woningen op de begane grond voldoende om de meisjes in de gaten te houden en indien nodig aan te spreken, aldus vergunninghouder.
2.7 De rechtbank overweegt dat het bouwplan voorziet in het oprichten van vier gezinswoningen en dertien appartementen. Zowel de gezinswoningen als de appartementen zijn voorzien van een eigen voordeur, een eigen keuken, eigen sanitaire voorzieningen, een woonkamer en slaapkamer(s). Daarnaast beschikt het appartementengebouw over een gemeenschappelijke woonkamer/ontmoetingsruimte. Er vinden gezamenlijke activiteiten plaats met de andere bewoners, zoals eten, feestdagen vieren, het onderhouden van de tuin en groepsbijeenkomsten rondom verschillende thema’s. Blijkens de toelichting van vergunninghouder zijn de ‘omwoners’ echtparen, eventueel met kinderen, die een sociale rol vervullen in het gebouw. De omwoners verlenen geen permanente zorg, maar veeleer bootsen zij een gewone woonomgeving na, waarbij een belangrijke doelstelling is dat de tienermoeders zelfstandig leren functioneren in de maatschappij. De jonge moeders komen binnen als ze zwanger zijn en leren na de geboorte met hun baby omgaan. Zij mogen ongeveer anderhalf jaar in het appartementengebouw blijven wonen.
Bij de beantwoording van de vraag of dit een vorm van bewoning is, die past binnen de bestemming “wonen” heeft de rechtbank de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) betrokken. Uit deze rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 februari 2008, LJN BC3623, komt naar voren dat naast zelfstandige bewoning door één gezin, ook minder traditionele woonvormen zich met de bestemming “wonen” verdragen. Dit onder de voorwaarden dat er sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zeker mate van verbondenheid tussen de bewoners. Gelet hierop, alsmede gelet op de toelichting bij deze vorm van wonen zoals door vergunninghouder gegeven, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat, nu alle bewoners over zelfstandige appartementen beschikken, wordt voldaan aan de eisen voor zelfstandige bewoning en dat er door de gezamenlijke activiteiten ook sprake is van een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de hiervoor geschetste vorm van bewoning onder de bestemming “Woondoeleinden (W)” valt.
Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
2.8 Eisers hebben zich verder op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet goed in de huidige omgeving past. Het bouwplan heeft namelijk een nokhoogte van bijna 12,5 meter. Gelet op de breedte van het perceel (twee woonblokken breed) in relatie tot de hoogte wordt de open doorkijk vanuit de wijk volledig weggenomen. Het uitzicht vanuit de woning van eisers naar het aan de zijkant van hun woning gelegen speelveld zal in ieder geval geheel verdwijnen. Nu het bestemmingsplan geen grens aan de toegestane bouwhoogte stelt, had een goede toepassing van de geldende welstandsnota tot een lagere bouwhoogte moeten leiden, aldus eisers.
Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat in de welstandsnota uitdrukkelijk staat aangegeven dat de bestemmingsplanvoorschriften voorrang hebben op de welstandscriteria. Het bestemmingsplan is voor de maatgeving bepalend. De commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland heeft op 25 februari 2010 het bouwplan goedgekeurd. Dit advies vertoont volgens verweerder geen gebreken, noch is er een tegenrapport waaruit blijkt dat het welstandsadvies niet aan de eisen zou voldoen. Het bouwplan (met een goothoogte van zes meter en een nokhoogte van 12,5 meter) past volgens verweerder binnen de bestemming en voldoet aan de welstandseisen.
2.9 Ten aanzien van het advies van de commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland merkt de rechtbank op - voor zover thans van belang - dat verweerder aan een dergelijk advies, volgens vaste rechtspraak van de ABRvS, in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen en dat het overnemen van het advies in de regel geen nadere toelichting behoeft. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.
Verder geldt dat, voor zover de toepassing van de welstandscriteria leidt tot strijd met het bestemmingsplan of met in de bouwverordening opgenomen voorschriften van stedenbouwkundige aard, die criteria buiten toepassing blijven (artikel 12, derde lid, van de Woningwet). Meer concreet houdt dit in dat de welstandscommissie bij haar beoordeling de schaal en massa die het bestemmingsplan of de bouwverordening toestaat, moet respecteren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 19 april 2006, LJN AW2245).
2.10 Voor het perceel geldt, zoals blijkt uit de bij het uitwerkingsplan behorende plankaart, een maximale goothoogte maar geen maximale nokhoogte. In dat geval gaat het primaat van het bestemmingsplan niet zover dat geen enkele ruimte meer bestaat voor een negatief welstandsoordeel. Naar het oordeel van de rechtbank hoeven de in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria dus niet op grond van artikel 12, derde lid, van de Woningwet buiten toepassing te blijven. Uit het advies van de commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland van 4 januari 2010 blijkt dat de welstandscommissie wel toepassing heeft gezocht bij de criteria in de Welstandsnota voor deze omgeving. Dit heeft vervolgens geleid tot een positieve beoordeling. Eisers hebben in beroep gesteld dat, nu het gaat om grootschalige nieuwbouw in een omgeving met seriematige bebouwing, er vooraf aparte criteria hadden moeten worden opgesteld. Ter zitting heeft verweerder op dit punt aangevoerd dat aparte criteria alleen worden opgesteld als het gebouw niet aansluit op de omgeving; dat is hier wel het geval. De rechtbank kan verweerder daarin volgen, nu is gebleken dat in de omgeving anders dan eisers stellen niet louter bebouwing van zes meter hoog is. Zo is de aan de [straat] gelegen school met bovenwoningen eveneens twaalf meter hoog en zijn er ook woningen met een nokhoogte van negen meter. Het bestemmingsplan heeft bovendien voor het perceel uitsluitend een goothoogte aangegeven. Daaruit viel af te leiden dat voor dit perceel, anders dan bijvoorbeeld bij het naastgelegen blok met de bestemming Bd6*, de nokhoogte niet in het bestemmingsplan was gemaximeerd.
De rechtbank is verder niet gebleken dat het welstandsadvies van 4 januari 2010, in combinatie met het stempeladvies van 25 februari 2010, naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat verweerder het niet aan zijn oordeel over welstand ten grondslag had mogen leggen. Verweerder heeft deze welstandsadviezen dan ook aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen en het bouwplan in redelijkheid in overeenstemming met redelijke eisen van welstand kunnen oordelen.
Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.
2.11 Tot slot hebben eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder een te lage parkeernorm heeft gehanteerd. In de wijk bestaan op dit moment al parkeerproblemen, laat staan dat er nog zeventien appartementen met maar dertien parkeerplaatsen bijkomen.
Verweerder heeft in dit kader naar voren gebracht dat voor deze vorm van bewoning een parkeernorm van 0,3 passend is. De meerderheid van de tienermoeders bestaat uit jongeren onder de achttien jaar. De ervaring leert dat deze doelgroep geen auto bezit, omdat ze te jong zijn en/of de financiële middelen niet hebben. Op eigen terrein kan dus voldoende worden geparkeerd, aldus verweerder.
2.12 Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie blijkt dat verweerder bij de dertien appartementen voor de tienermoeders is uitgegaan van het kengetal 0,3 (gebaseerd op de kengetallen voor serviceflats/aanleunwoningen) en bij de vier gezinswoningen is uitgegaan van het kengetal 1,6 (gebaseerd op de woning midden). Daarnaast heeft verweerder twee parkeerplaatsen gerekend voor de begeleiders. Dit resulteert in 12,3 parkeerplaatsen of wel afgerond twaalf parkeerplaatsen. Ter zitting heeft verweerder bovendien benadrukt dat in het geval van verkoop van het gebouw of gebruik voor een ander doel, de gehanteerde parkeernorm opnieuw zal worden bekeken. Tevens is toegelicht dat van de gestelde parkeerdruk bij herhaalde controle ter plaatse, niet is gebleken.
De rechtbank is gelet op het voorgaande, vergeleken met de landelijk gehanteerde richtlijnen van het CROW voor benodigde parkeerplaatsen bij diverse gebruiksfuncties, welke aansluiten bij de door verweerder gehanteerde normen, van oordeel dat verweerder een alleszins redelijke parkeernorm heeft gehanteerd. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
2.13 Nu niet is gebleken dat zich één van de in artikel 56a van de Woningwet limitatief genoemde weigeringsgronden voordoet, moest verweerder gelet op het dwingendrechtelijk karakter van deze bepaling de bouwvergunning eerste fase verlenen. Onder deze omstandigheden was er voor verweerder geen ruimte om belangen af te wegen. Dit betekent dat verweerder terecht geen betekenis heeft toegekend aan de klacht van eisers dat er geen ruimte was voor overleg of inspraak.
2.14 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. V.M.M. van Amstel, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.
De griffier: De rechter:
mr. M.H. Menger mr. V.M.M. van Amstel
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.