ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ5276
Rechtbank Utrecht
- Wraking
- P. Bender
- R. in ’t Veld
- G. Perrick
- Rechtspraak.nl
Beslissing op wrakingsverzoek rechter wegens vermeende partijdigheid tijdens comparitie
In deze zaak diende [A] B.V. een wrakingsverzoek in tegen rechter [B] van de rechtbank Utrecht, naar aanleiding van een comparitie na antwoord op 28 maart 2011. Verzoeker stelde dat de rechter onvoldoende optrad tegen een dreigende en vijandige houding van de eisende partij [C] tegenover zijn gemachtigde en zichzelf, waardoor de schijn van partijdigheid zou zijn gewekt.
De rechtbank overwoog dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend, aangezien het pas op 12 april 2011 werd ingediend, vijftien dagen na de zitting. Volgens artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten bekend zijn. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het enkele feit dat de rechter niet streng genoeg optrad tegen de ordeverstoring niet voldoende is om partijdigheid aan te nemen.
De rechtbank wees het verzoek daarom af en verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk. Tevens werd benadrukt dat professionele procesdeelnemers bij een probleem met de houding van de andere partij dit direct tijdens de zitting moeten aangeven. De beslissing werd genomen door de wrakingskamer bestaande uit P. Bender, R. in ’t Veld en G. Perrick op 17 mei 2011.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen rechter [B] wordt niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen wegens te late indiening en onvoldoende grond voor partijdigheid.