5.5 De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee nog altijd onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op 18 december 2009 in verband met de Berichten Studiefinanciering van 12 december 2009 aan het door eiseres opgegeven e-mailadres een
e-mailbericht is verzonden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft aanvankelijk, dat wil zeggen in de brief van 21 december 2010, met stelligheid beweerd dat standaard op elke vrijdag volgend op de dag waarop de Berichten Studiefinanciering zijn aangemaakt, aan de e-mailadressen die voorkomen in het hiermee in verband staande outputbestand een e-mailbericht wordt verzonden. In de brief van 23 maart 2011 heeft verweerder deze bewering afgezwakt door aan te geven dat het verzenden van de
e-mailberichten doorgaans op de vrijdag volgend op de dag waarop de Berichten Studiefinanciering zijn aangemaakt, plaatsheeft. Hoewel het door eiseres opgegeven
e-mailadres voorkomt in het outputbestand van 12 december 2009 en verweerder een afschrift van het op 18 december 2009 aan de afdeling Multimedia verzonden e-mailbericht heeft overgelegd, valt daarmee, gelet op de afgezwakte bewering, niet uit te sluiten dat op een andere dag dan vrijdag 18 december 2009 aan het door eiseres opgegeven e-mailadres een e-mailbericht is verzonden dan wel dat in zijn geheel geen e-mailbericht aan het door eiseres opgegeven e-mailadres is verzonden. Te meer nu verweerder, anders dan ter onderbouwing van de feitelijke verzending van de waarschuwingsbrieven in het kader van adressencontroles, geen bewijs in de vorm van een schermprint (van in dit geval bijvoorbeeld een outbox) heeft overgelegd waaruit expliciet een relatie tussen het door eiseres opgegeven e-mailadres en de datum waarop verweerder stelt dat het e-mailbericht is verzonden, zijnde 18 december 2009, valt af te leiden (zie in verband met de verzending van waarschuwingsbrieven de uitspraak van de CRvB van 19 februari 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer BL5253). Verder acht de rechtbank in dit verband van belang dat uit het afschrift van het e-mailbericht van 18 december 2009 aan Multimedia noch valt op te maken dat het e-mailbericht ten behoeve van de Berichten Studiefinanciering van 12 december 2009 is verzonden noch dat het e-mailadres van eiseres zich tussen de
e-mailadressen heeft bevonden waarnaar een gelijkluidend e-mailbericht zou zijn verzonden. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat aan de door verweerder overgelegde lijst ? van naar verweerder heeft gesteld: 22 december 2009 ? met onbestelbaar retour gekomen
e-mailberichten geen betekenis kan worden toegekend. De rechtbank neemt hierbij allereerst in aanmerking dat de lijst ongedateerd is. Daarnaast kan uit hetgeen op de lijst staat vermeld, niet worden afgeleid dat er tussen de lijst en de e-mailberichten die op 18 december 2009 zouden zijn verzonden, een verband bestaat.