ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8124
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J. Grapperhaus
- A. Wassing
- P.W.G. de Beer
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor bedrijfsmatige handel en deelname aan criminele organisatie in hasj
De rechtbank Utrecht heeft op 15 juni 2011 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die samen met anderen bedrijfsmatig betrokken was bij de productie en handel in grote hoeveelheden hasj. Het bewijs bestond uit camerabeelden, tapgesprekken en inbeslagname van hasj, waaruit bleek dat verdachte en zijn zoon als koerier optraden.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 8 september, 13 september en 13 oktober 2010 aanzienlijke hoeveelheden hasj (ongeveer 70, 50 en 52,5 kilogram) leverde en dat deze leveranties een bedrijfsmatig karakter hadden. Verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie met een duidelijke taakverdeling: verdachte leverde de hasj, zijn zoon fungeerde als koerier, een medeverdachte bracht vraag en aanbod bij elkaar en een andere medeverdachte nam de hasj af.
De rechtbank verwierp de stelling van de verdediging dat er geen bewijs was voor leveranties op andere data dan 13 oktober 2010 en dat er geen sprake was van een gestructureerd samenwerkingsverband. Leveranties op 29 september en 10 oktober 2010 werden niet bewezen verklaard. Gelet op de ernst van de feiten, de grote hoeveelheden hasj en de betrokkenheid van de zoon, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden op.
De rechtbank sprak verdachte vrij van wat meer of anders was ten laste gelegd en bepaalde dat de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht op de straf. De strafoplegging vond plaats onder toepassing van artikelen uit het Wetboek van Strafrecht en de Opiumwet.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor bedrijfsmatige handel in hasj en deelname aan een criminele organisatie.