ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ9047
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs medeplegen handel en uitvoer van hasj
De rechtbank Utrecht behandelde op 7 juni 2011 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van het buiten Nederland brengen en de handel in hennep, hasj en marihuana in de periode van februari tot maart 2008. De officier van justitie stelde dat verdachte betrokken was bij deze strafbare feiten, onderbouwd met telefoongesprekken en observaties.
De rechtbank stelde vast dat verdachte mogelijk betrokken was, gezien telefoongesprekken waarin zijn naam werd genoemd in verband met geld en drugs, en observaties van een auto die aan verdachte werd toegeschreven. Echter kon niet worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk de bestuurder was of welke rol hij precies had in de handel en uitvoer.
De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was voor een bewezenverklaring. De rechtbank concludeerde dat het dossier geen duidelijkheid gaf over het aandeel van verdachte en dat ook de officier van justitie dit niet had kunnen aantonen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten van medeplegen van handel en uitvoer van verdovende middelen. Dit vonnis werd uitgesproken op 21 juni 2011 door de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen van handel en uitvoer van hasj.