ECLI:NL:RBUTR:2011:BR2221

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
15 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
309771/ FT-RK 11.859
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b FwArt. 305 Fw
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek moratorium wegens instabiele financiële situatie en niet-naleving huurverplichtingen

Verzoeker heeft gelijktijdig met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een moratoriumverzoek ingediend om rust te creëren voor het treffen van een minnelijke schuldregeling. De rechtbank oordeelt dat het belang van verzoeker niet opweegt tegen het belang van de schuldeiser, Woningbouwvereniging De Seyster Veste, die de ontruiming van de woning vordert.

De rechtbank stelt vast dat de situatie van verzoeker nog niet stabiel is; er ontstaan nog nieuwe schulden en er is geen volledig beeld van zijn financiële positie. Verzoeker heeft bovendien een bedrag aan bijzondere bijstand ontvangen dat bedoeld was voor betaling van de huurachterstand, maar dit bedrag is voor andere doeleinden gebruikt. Hierdoor is twijfel gerezen over zijn intentie om daadwerkelijk een minnelijke regeling te treffen.

De rechtbank benadrukt dat de afspraken tussen verzoeker en Seyster Veste niet zijn nagekomen en dat de ontruiming niet verder kan worden uitgesteld. Verzoeker krijgt wel de gelegenheid om binnen een week na dagtekening van het vonnis aan te geven of hij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wil handhaven. Bij uitblijven daarvan wordt dit verzoek als ingetrokken beschouwd.

Uitkomst: Het verzoek tot het instellen van een moratorium wordt afgewezen vanwege een instabiele financiële situatie en niet-naleving van huurverplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector Civiel
zaaknummer: 309771/ FT-RK 11.859
uitspraakdatum: 15 juli 2011
moratorium
enkelvoudige kamer
in de zaak van
[verzoeker]
geboren op [1951] te [geboorteplaats],
wonende [adres], [woonplaats],
hierna: [verzoeker],
is door [verzoeker] tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw). De schuldeiser op wie de gevraagde voorziening betrekking heeft is Woningbouwvereniging De Seyster Veste te Zeist (Seyster Veste).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 juli 2011.
Ter zitting zijn verschenen [verzoeker], vergezeld door de heer H. Jagerman, schuldhulpverlener en directeur van Support in Finance (SiF), en de heer B. van de Scheur, als schuldhulpverlener werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (RSDKH).
Namens de Seyster Veste zijn verschenen mevrouw G. van Alst en de heer N. Mutsaerts, beide werkzaam bij Seyster Veste.
1. Het verzoek
De gevraagde voorziening houdt in:
het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw Pro.
[verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij probeert een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorzieningen is volgens [verzoeker] noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
2. Het verweer
Seyster Veste voert verweer tegen het verzoek en heeft daartoe aangevoerd dat de lopende huurverplichtingen niet worden voldaan. Op grond daarvan is de huurovereenkomst tussen [verzoeker] en Seyster Veste bij vonnis van 9 maart 2011 ontbonden, met veroordeling van [verzoeker] tot betaling van de huurachterstand met bijkomende kosten en tot ontruiming van de woning. [verzoeker] heeft tot op heden de huurachterstand niet betaald. De afspraken in dat kader tussen de [verzoeker] en Seyster Veste van 21 maart 2011 is [verzoeker] niet nagekomen. In dat gesprek, waarbij tevens RSDKH en Jagerman aanwezig waren, is afgesproken dat de toentertijd aangezegde ontruiming van de woning kon worden voorkomen door (onder andere) betaling van de helft van de toenmalige huurachterstand door middel van bijzondere bijstand. Deze bijzondere bijstand voor een bedrag van € 2.310,94 is door RSDKH aan [verzoeker] met dat doel overgemaakt. [verzoeker] heeft dit bedrag echter niet gebruikt om (een gedeelte van) zijn huurachterstand te voldoen, maar het aangewend voor andere doeleinden.
Voorts heeft Seyster Veste betoogd dat [verzoeker], danwel zijn dochter, zorgt voor overlast. Mede in dat kader heeft Seyster Veste al, bijvoorbeeld door de inschakeling van woonbegeleiding door Mutsaerts, de nodige inspanningen voor [verzoeker] verricht. Zo zijn in oktober 2010 al duidelijke afspraken met [verzoeker] over de overlast en de huurachterstand gemaakt en is hem enige tijd geleden al een andere, goedkopere woning aangeboden. [verzoeker] is zijn afspraken met Seyster Veste echter nooit nagekomen. Ter zitting heeft Seyster Veste nog aangegeven dat zij eventueel bereid is om [verzoeker] te bemiddelen naar het laatste kans beleid. De ontruiming kan daar echter niet op wachten, aldus - samengevat - Seyster Veste.
3. Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het hierboven onder 1 genoemde belang van [verzoeker] bij opschorting van de ontruiming van zijn woning niet opweegt tegen het belang van Seyster Veste bij de ontruiming van die woning.
De rechtbank overweegt daartoe dat Van de Scheur ter zitting heeft verklaard dat de situatie van [verzoeker] nog niet stabiel is. Er ontstaan nog nieuwe schulden, waardoor nog geen volledig beeld van de schuldenpositie van [verzoeker] bestaat. Daardoor staat niet vast staat dat [verzoeker] op dit moment aan zijn lopende verplichtingen kan voldoen. Het minnelijk traject kan dan ook nog niet worden opgestart. Aangezien op het moment niet duidelijk is wanneer dit het geval zal zijn, beantwoordt de gevraagde voorziening niet aan haar doel.
Hier komt bij dat [verzoeker] niet heeft aangetoond dat hij een minnelijke regeling daadwerkelijk tot stand wil brengen. [verzoeker] heeft recentelijk de kans gehad om een eerdere ontruiming te voorkomen. [verzoeker] was bij het gesprek van 21 maart 2010 aanwezig, en wist dat hij de bijzondere bijstand diende aan te wenden voor het gedeeltelijk inlossen van zijn huurachterstand. Dat, zoals [verzoeker] heeft aangevoerd, zijn dochter voor zichzelf betalingen van dat geld heeft verricht doet daar niet aan af. [verzoeker] heeft immers tevens verklaard dat hij zijn dochter heeft gemachtigd om over zijn bankrekening te beschikken. Daarmee heeft hij het risico genomen dat van die machtiging misbruik wordt gemaakt. Bovendien heeft een en ander, zo begrijpt de rechtbank, [verzoeker] er nog niet toe aangezet om de machtiging in te trekken. De situatie die thans is ontstaan, dient dan ook voor rekening van de verzoeker te blijven.
Dat, zoals ter zitting is aangevoerd door Jagerman, beschermingsbewind zal worden aangevraagd voor [verzoeker] en zijn dochter, doet daar niet aan af. Het verzoek tot onder bewindstelling is, zo bleek ter zitting, nog (steeds) niet ingediend en een termijn is daarvoor niet gegeven. Dat op korte termijn een aanmerkelijke verbetering in de financiële discipline van [verzoeker] zal optreden, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk.
Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
[verzoeker] heeft ter terechtzitting niet aangegeven of hij bij afwijzing van het onderhavige verzoek het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wil handhaven. [verzoeker] krijgt de gelegenheid dit alsnog binnen een week na dagtekening van dit vonnis te doen. Indien [verzoeker] dit niet laat weten, gaat de rechtbank ervan uit dat hij zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling voor dit moment intrekt. Het staat [verzoeker] dan vrij om, wanneer zijn situatie is gestabiliseerd en een poging tot een minnelijke regeling niet is gelukt, opnieuw een toelatingsverzoek te doen.
4. Beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op
15 juli 2011.