ECLI:NL:RBUTR:2011:BR2584
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak primair en subsidiair; geldboetes voor overtreding Arbeidsomstandighedenwet bij asbestsanering Albert Heijn
In deze strafzaak stond [bedrijf 1] terecht voor het niet naleven van veiligheidsvoorschriften tijdens sloop- en asbestsaneringswerkzaamheden in het Albert Heijn-pand te Veenendaal. De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend was bewezen dat er op ondeskundige wijze asbest was vrijgekomen of dat verdachte opzettelijk asbestvezels in de lucht had gebracht.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte als werkgeefster onvoldoende doeltreffende maatregelen had genomen om gevaar voor de gezondheid van werknemers en anderen te voorkomen. Zo was er sprake van een asbestbesmetting die niet adequaat was afgeschermd en werden werkzaamheden verricht zonder de voorgeschreven beschermingsmiddelen. De rechtbank oordeelde dat het spannen van een geel/zwart asbestlint onvoldoende bescherming bood.
De rechtbank achtte bewezen dat de overtredingen van artikel 10 en Pro 32 van de Arbeidsomstandighedenwet door de rechtspersoon waren begaan, mede gezien de aanwezige kennis en vaardigheden binnen het bedrijf. De strafoplegging bestond uit een geldboete van €2.500,- voor het meer subsidiaire feit en een geldboete van €10.000,- waarvan €5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank nam bij haar oordeel mee dat verdachte niet eerder strafrechtelijk was veroordeeld en hield rekening met het tijdsverloop tussen de feiten en de uitspraak. De opgelegde straffen waren lager dan gevorderd door de officier van justitie maar passend geacht gelet op de omstandigheden.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van primair en subsidiair ten laste gelegde feiten, veroordeeld tot geldboetes wegens overtreding Arbeidsomstandighedenwet.