ECLI:NL:RBUTR:2011:BR6969
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Arbeidsongeschiktheidsverzekering: vaststelling ziekte en uitkeringsrechten bij psychiatrische klachten
Eiser heeft sinds 1989 een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij ASR (voorheen AMEV) en stelt dat hij sinds 15 december 1994 volledig arbeidsongeschikt is door psychiatrische klachten. ASR beëindigde de uitkering per 14 januari 2006. Na een bindend medisch advies van prof. Van den Bosch concludeert de rechtbank dat eiser lijdt aan ziekte in de zin van de polisvoorwaarden vanaf 5 juni 1999, niet eerder, en dat hij daardoor recht heeft op uitkering.
De rechtbank beoordeelt dat het onderscheid tussen ziekte en gebrek arbitrair is, maar dat de beperkingen van eiser objectief medisch vaststaan en hem belemmeren in arbeid. De DSM-IV classificatie en het bindend advies van Van den Bosch zijn bepalend. Eiser heeft tussen 1996 en 1999 gewerkt, waardoor geen doorlopende arbeidsongeschiktheid bestaat en de uitkering moet worden berekend op basis van financiële gegevens uit die periode.
De rechtbank wijst de vorderingen van eiser toe om ASR te veroordelen tot betaling van uitkeringen vanaf 5 juni 1999, berekend over de jaren 1996-1999, met wettelijke rente en incassokosten. ASR wordt veroordeeld de berekening binnen twee maanden te verstrekken. De kosten van de procedure worden aan ASR opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Eiser is sinds 5 juni 1999 volledig arbeidsongeschikt en ASR moet uitkeringen betalen over 1996-1999 met rente en incassokosten.