ECLI:NL:RBUTR:2011:BS1151
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A.A.T. Engbers
- J.R. Krol
- J.P. Killian
- Rechtspraak.nl
Ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel over periode 2004-2007
De rechtbank Utrecht behandelde een ontnemingsvordering ex artikel 36e lid 3 Wetboek van Strafrecht tegen de veroordeelde, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €38.372,- over de periode 1 januari 2004 tot en met 17 juli 2007. De officier van justitie baseerde haar vordering op een uitgebreide kasopstelling die de totale uitgaven afzette tegen legale inkomsten.
De verdediging stelde dat de berekening beperkt moest blijven tot de bewezen verklaarde periode, maar de rechtbank verwierp dit op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad, die stelt dat ook voordeel uit andere strafbare feiten kan worden ontnomen zonder dat die feiten bewezen hoeven te zijn. Tevens werd het draagkrachtverweer afgewezen omdat de veroordeelde niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat zou zijn te betalen.
De rechtbank ging ook in op specifieke bezwaren van de verdediging over bedragen die niet meegenomen zouden mogen worden, zoals banktegoeden en contant geld, maar verwierp deze bezwaren of achtte ze zonder invloed op de vordering. Uiteindelijk legde de rechtbank de betalingsverplichting op aan de veroordeelde, inclusief rente over conservatoir beslagen.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €38.372,- plus rente ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel over 2004-2007.